Achter het passiespel

De Mexicaanse Revolutie van 1910/1911 is in film en literatuur verbeeld als een heftig en kleurrijk passiespel, vol treinovervallen, staven dynamiet en helden die van het vuurpeloton worden gered. Dat is begrijpelijk. Er werden inderdaad treinen overvallen, er ontplofte ook veel dynamiet, en Pancho Villa ontsnapte echt op het nippertje aan het vuurpeloton. Amerikaanse filmploegen reden mee met zijn veldtochten en in 1914 tekende hij een contract met Hollywood voor een film waarin hij zichzelf speelde.

Maar zulke spektakeleffecten doen geen recht aan wat wel `de eerste moderne revolutie' is genoemd, één die na de Russische en twee wereldoorlogen, buiten Mexico in het collectieve geheugen is weggezakt. Friedrich Katz heeft met zijn magnifieke studie The Life and Times of Pancho Villa (Stanford, 1998) geprobeerd Villa zijn rechtmatige positie in de geschiedenis te geven. Villa was niet alleen een vrijbuiter die Mexico ontwrichtte, maar ook een bouwer, die een repressief regime hielp omverwerpen, in de provinciale hoofdstad Chihuahua een rudimentaire `verzorgingsstaat' inrichtte en een krachtige revolutionaire mythe rond zichzelf produceerde.

Frank McLynn, biograaf van onder anderen Napoleon, Jung en Stanley, heeft met Villa and Zapata een biografie geschreven van twee volkshelden en hun rol in de Mexicaanse Revolutie. Zijn boek heeft niet het kaliber van Katz' magnum opus, maar biedt een uitstekende inleiding in deze labyrintische geschiedenis. Het idee om de carrières van Villa en Zapata in één boek te behandelen ligt bovendien voor de hand, hoewel de combinatie niet dwingend is. Ze ontmoetten elkaar maar één keer, in Mexico-Stad. Er bestaan onthullende foto's van, waarop Villa breeduit lacht, terwijl Zapata argwanend de camera bestudeert.

Emiliano Zapata was een ander mens dan Villa. Introverter, en eerder paranoïde dan sentimenteel. Meer dan Villa, die (volgens Katz ten onrechte) vaak wordt gezien als een `sociale bandiet', geldt Zapata als voorloper van Che Guevara; zijn naam wordt aangeroepen door indiaanse rebellen in de provincie Chiapas. Zapata heeft dat te danken aan zijn inzet voor landhervorming, onder de leus `Tierra y libertad' (land en vrijheid). Hij leidde een boerenopstand met nationale pretenties die draaide om de tierra, terwijl voor de coalitie malcontenten die Villa aanvoerde, de politieke libertad in hun eigen regio voorop stond.

De revolutie die in 1911 uitbrak, was in feite een serie lokale opstanden tegen het regime van Porfirio Díaz, onder de banier van diens politieke rivaal Francesco Madero, ook theosoof en spiritist. Díaz, aan het bewind vanaf 1877 en in de greep van een technocratisch maakbaarheidsgeloof, wilde Mexico in ijltempo omvormen tot een industriële natie van wereldformaat. Op advies van een elite van cientificos kregen spoorwegen en mijnen absolute voorrang, en werd land op grote schaal geannexeerd door rijke haciendados. De modernisering leidde tot massale onteigening, verpaupering en een agrarische klasse van arme landarbeiders die feitelijk lijfeigenen waren. Met opstandige elementen als de Yaqui-indianen werd bruut afgerekend; duizenden werden gedeporteerd of gedood.

Banditisme

Op het platteland verzetten boeren zich tegen het schrikbewind van Díaz; in de noordelijke provincie Chihuahua keerde een alliantie van cowboys,mijnwerkers, arbeiders en andere groepen zich tegen het centralisme van Mexico-Stad en de `uitverkoop' aan buitenlandse kapitalisten. De burgerij bracht leiders voort als Venustiano Carranza en Álvaro Obregón, de boeren schaarden zich achter Emiliano Zapata, de noordelijke coalitie werd aangevoerd door de ex-bandiet en kleine ondernemer Francisco (`Pancho') Villa.

McLynn brengt de verschillen tussen Zapata en Villa scherp naar voren in deze periode, toen beiden op het hoogtepunt van hun macht waren. Díaz werd binnen een jaar verdreven, een contracoup van leger en oude elite werd neergeslagen, waarbij Madero werd vermoord. Onder de zapatistas kwijnde het staatsgezag in hun provincie Morelos vervolgens weg, en werd een anarchistisch getint boerenfederalisme opgezet. Het doel was, noteert McLynn, `een utopie van vrije boerendorpen'. In Chihuahua werd het staatsgezag onder Villa juist sterker dan ooit: het villismo greep op allerlei maatschappelijke terreinen in, van prijsfixaties tot onderwijs. Villa betreurde altijd zijn eigen gebrek aan scholing. Zijn droom, aldus McLynn, was een bewapende, maar schoolgaande burgerij: `Mexico als één grote militaire academie'.

Chihuahua onder het villismo was dus een sociaal experiment, maar wat voor één? Katz en McLynn merken allebei op dat van werkelijk socialisme geen sprake was. Evenmin van `geïnstitutionaliseerd banditisme', zoals Villa's vijanden beweerden, al had Villa's beweging zeker een onderstroom van banditisme. Villa besefte terdege dat hij de bourgeoisie en Amerikaanse investeerders te vriend moest houden, en de confiscatie van particuliere eigendom werd niet fanatiek aangepakt. Het Chihuahua van Villa, aldus McLynn, had nog het meeste weg van Argentinië onder Perón. Katz sprak van `de meest genereuze welvaartsstaat in revolutionair Mexico'.

Daarna brak een chaotische en bloedige burgeroorlog uit. McLynn verwerpt het idee dat die onderlinge strijd een conflict was tussen modernistische groepen met als doel vooruitgang (Carranza en Obregón) en reactionaire krachten die terug wilden naar oude tijden (Zapata en Villa). Zapata droomde weliswaar van een agrarisch paradijs, maar ook dat ideaal vereiste de vernietiging van de klasse van grootgrondbezitters, een `modern' revolutionair doel. Katz maakte al duidelijk dat het villismo een mengeling was van traditionalisme en modernisme, dat niet eenvoudig in één hokje is onder te brengen.

Cavalerie

Zapata's coalitie met Villa was nooit een hechte, ook niet toen hun vijanden zich begonnen te organiseren. Daarvoor was de afstand tussen hun territoria te groot, maar ook hun verschil in tactiek en politieke ambities. Villa had geen presidentiële pretenties, terwijl Zapata plannen koesterde voor hervormingen van nationale omvang. Zapata nam bovendien aanstoot aan het gedrag van Villa's troepen, die plunderden en moordden in Mexico-stad terwijl hun leider achter de vrouwen aanzat. Carranza en Obregón besteedden hun tijd beter. Villa's Division del Norte werd in 1915 verpletterd door hun gemoderniseerde legers, die lessen hadden getrokken uit de Europese oorlog en de cavalerie-charges van de villistas smoorden in prikkeldraad en machinegeweervuur.

Met Villa kwam het daarna niet meer goed. Katz betreurt het `morele verval' van zijn held, die nu massa-executies beval van mannen, vrouwen en kinderen. Zapata op zijn beurt blies personentreinen op. Chihuahua veranderde in een woestenij, aldus McLynn, `met tekenen van een oorlog van allen tegen allen'. De `verzorgingsstaat' had zichzelf toen al lang stukgedraaid in hyperinflatie.

Villa verspeelde ook de steun van Amerika, waar hij grote populariteit had genoten. De regering-Wilson voerde een complexe Mexico-politiek, waarin sympathie voor Villa werd afgewisseld met pogingen een machtsevenwicht te bewaren. In het nauw gedreven, waagde Villa in maart 1916 een dolle actie door een Amerikaans stadje in Nieuw-Mexico aan te vallen. De `invasie', gevolgd door een Amerikaanse strafexpeditie, gaf de Villa-mythe een nieuwe impuls. De Mexicaanse burgeroorlog eindigde in 1919 met de moord op Zapata en Villa's overgave aan de regering van Obregón. Vier jaar later werd ook Villa vermoord, vrijwel zeker in opdracht van zijn politieke vijanden.

McLynn weet het verhaal van Zapata en Villa goed te vertellen, met gevoel voor de sociale context maar ook met een open oog voor morbide details, zoals de dood van Villa's vertrouweling en moordenaar Rodolfo Fierro in drijfzand. Fierro's mannen waren het sadisme van hun baas zo beu, dat ze een halfhartige poging deden hem te redden toen hij in het drijfzand belandde, en daarna rustig toekeken hoe hij met paard en al scheldend wegzonk.

De Mexicaanse Revolutie bereikte misschien niet de doelen die Villa en Zapata zich hadden gesteld, concludeert McLynn, maar bracht het land wel de moderne tijd binnen. Oude politieke monopolies werden doorbroken, het grootgrondbezit van de haciendados eveneens. Nieuwe elites staken de kop op. Mexico, aldus McLynn, was `veilig gemaakt voor het kapitalisme'.

Frank McLynn: Villa and Zapata. A Biography of the Mexican Revolution. Jonathan Cape, 459 blz. ƒ79,60