Verhalen voor schaatsfanaten

In navolging van het succesvolle tijdschrift Hard Gras voor liefhebbers van voetbal die van lezen houden is er nu ook een tijdschrift voor literatuurminnende schaatsfanaten: Glad IJs. Ik hoopte op het mooiste schaatsgedicht allertijden, van Herman Gorter uiteraard, dat zo begint:

`Toen bliezen de poortwachters op gouden horens,/ buiten daar spartelde het licht op 't ijs.' Volgens Gorter-kenner Enno Endt bezingt de dichter in dit vers een schaatstocht met een vrouw, die eindigt met een op het ijs uitgevoerd liefdesspel: `De wereld was een blauwe en witte zale,/ daar stond een sneeuwbed tintelsneeuw midde'in,/ uw goudhoofd naar zwaanveren ging te dalen -/ lachende laagt ge, over het veld,/ handblanke, blanktande, trantele koningin.'

Maar nee, geen Gorter in Glad IJs. Het literaire schaatstijdschrift opent met een verhaal van Lydia Rood over een allochtone man die in zijn eentje een fatale schaatstocht maakt door Waterland, boven Amsterdam. Er staan wel een paar mooie zinnen en sfeerbeelden in, maar eerlijk gezegd ben ik nieuwsgieriger naar de schaatservaringen van een echte immigrant dan naar Lydia Roods fantasieën daarover. Ter compensatie heeft gelukkig Abdelkader Benali, schrijver met een Marokkaanse achtergrond, ook een bijdrage geleverd. Zijn verhaal, `Toffe jongens' begint met de vraag of je moet kunnen schaatsen om een schaatsroman te schrijven. Zijn antwoord luidt: ja. Weliswaar heeft hij schaatslessen gevolgd, maar hij is erachter gekomen dat hij het schrijven over een onderwerp waar hij de aanleg voor mist, beter aan anderen kan overlaten.

Mij deed de biografische schets van Jaap Eden (1873-1925), geschreven door Martin Schouten het meest plezier. Ongetwijfeld is het tragische leven van deze wereldkampioen schaatsen en wielrennen bij kenners al lang en breed bekend, maar mij verraste het dat hij in 1895, 22 jaar oud en op het toppunt van zijn kunnen, in een interview op een vraag naar zijn hobby's, antwoordde: `roken en drinken'. 't Is dan ook slecht met hem afgelopen. Uiteindelijk dronk hij zich als oud-kampioen en Bekende Nederlander een delirium, gooide zijn sportbekers door de kamer en belandde in een inrichting. De meest tragische anekdote is dat hij toen al een heleboel prijzen had verkocht om te kunnen drinken. Zijn vrouw heeft er nog een aantal gered om er de opvoeding van hun kind mee te bekostigen. Jaap Eden (`een uit het paradijs gevallen kind') eindigde als bedelaar in Haarlem, waar hij in 1925, 51 jaar oud, stierf.

Wat heeft het blad nog meer te bieden aan koek, zopie en andere ijspret? Twee gedichten van Jaap van Lakerveld, die eerder poëzie publiceerde in de Tweede Ronde, een column van politicoloog en Trouw-medewerker Koen Koch over zijn martelende voorbereidingen op de Elfstedentocht, een Japanse haiku en een fragment over schaatsen uit John Cheevers roman Oh what a Paradise it seems. Ondanks mijn liefde voor de schaatssport word ik er niet warm en al helemaal niet koud van. Er gaat niets tintelen, zelfs niet bij het oudste Nederlandse ijsverhaal `Het leven van Lidewij' uit circa 1440, dat adequaat wordt naverteld door Max Dohle.

Waarom dit blad het niet haalt bij Hard Gras heeft, afgezien van het kwaliteitsverschil, ongetwijfeld te maken met het fenomeen dat schaatsverhalen, anders dan die over voetbal, pas tot de verbeelding spreken wanneer het daadwerkelijk vriest, als we de schaatsen uit het vet halen en in spanning wachten tot de eerste tocht op natuurijs kan worden verreden. Tenzij het om poëzie van Gorter gaat natuurlijk, want die is bestand tegen welk weertype dan ook. Voor dit eerste nummer van Glad IJs geldt dit nog niet. De redactie, bestaande uit Ben van den Burg en Max Dohle, wil iedere winter twee nummers uitbrengen. Het kan vriezen en het kan dooien, maar ik betwijfel of dat lukt en of er wel genoeg belangstelling voor is. Wie zal het zeggen? Ik neem aan dat uitgeverij Bert Bakker met deze nieuwe uitgave niet over een nacht ijs is gegaan.

Glad IJs. Eerste jaargang nr. 1

November 200. Uitg. Bert Bakker.