Op naar de Europese tirannie

Het nu precies een maand durende naspel van de Amerikaanse verkiezingen wordt, in andere landen, steeds vaker afgedaan als een `klucht' dan wel een `soap'. Let vooral op de anchormen van de televisie-actualiteitenrubrieken. Hoofdschuddend en anders wel met een kwinkslag schakelen zij over naar de correspondent ter plekke die voor de zoveelste keer mag uitleggen wat die `rare' Amerikanen nu toch weer bedacht hebben.

Natuurlijk heeft de tie-break van Bush en Gore de nodige bizarre trekken. Maar van alle opwinding ontdaan blijft er een proces over waarbij de spelregels van de machtigste democratie tot het uiterste worden uitgetest. En dat maakt de strijd voor buitenstaanders, weer zo razend interessant. Niet eerder is er zoveel over de Amerikaanse constitutie te doen geweest als de afgelopen maand. Het was in feite één grote les in staatsinrichting en democratie. Een zeer nuttige les ook vooral voor Europa dat de komende dagen in Nice waarschijnlijk weer een volgende stap zet op de weg naar verdere ontdemocratisering. Maar gek genoeg lijkt er in Europa veel meer aandacht te bestaan over hoe de Amerikanen met hun stelsel omgaan, dan voor de op handen zijnde verdere ontmanteling van eigen democratische instituties. Maar goed, in de Verenigde Staten gaat het dan ook heel simpel tussen twee mensen, terwijl de strijd in Europa is verpakt in een uitermate abstracte institutionele discussie, waarbij het bargoens de voertaal is.

Opvallend is hoe vaak de afgelopen tijd in beschouwingen over de Amerikaanse uitslagstrijd de Franse denker Alexis de Tocqueville is geciteerd. In zijn uit 1835 stammende standaardwerk `Democratie in Amerika' gebaseerd op een reis van meer dan 11.000 kilometer in zeven maanden (in een tijd dat spoorwegen nog niet bestonden) stond hij uitvoerig stil bij de ,,tirannie van de meerderheid'' die zich volgens hem in Amerika had gevestigd. Maar het is een soortgelijke tirannie van de meerderheid die in zijn Europese variant straks in Nice tijdens de Intergouvernementele conferentie van regeringsleiders verder zal worden vervolmaakt. Met als argument dat het steeds meer integrerende Europa tevens slagvaardiger moet kunnen opereren, zal besloten worden de zogeheten meerderheidsbesluitvorming binnen de Unie aanzienlijk uit te breiden. Het betekent dat het vetorecht waarbij afzonderlijke lidstaten Europese besluitvorming kunnen tegenhouden aanzienlijk zal worden beperkt.

Voor een Europa dat ook dynamisch wil zijn is het stroomlijnen van de besluitvorming volkomen logisch. Zeker als de Unie verder oostwaarts trekt en uiteindelijk misschien wel uit dertig landen bestaat, moet worden voorkomen dat één land de besluiten kan frustreren. Dat neemt niet weg dat het nu nog bestaande vetorecht zeker voor kleine landen een formidabel machtsmiddel is. En dan valt toch op hoe gemakkelijk bijvoorbeeld een land als Nederland een dergelijk wapen uit handen geeft. We palaveren een beetje over een paar stemmen meer in de Europese Raad dan de andere échte (!) kleine landen als de meerderheidsbesluitvorming zal worden ingevoerd, maar afgezet tegen het totaal aantal stemmen waarom het gaat is dit gekrabbel in de marge. In nationale termen vertaald is het zo'n beetje de vraag of de SGP een zetel meer of minder in de Tweede Kamer zal bezetten. Heel belangrijk voor de SGP, maar voor de werkelijke machtsverhoudingen totaal onbelangrijk.

De Nederlandse regering geeft het vetorecht graag op. Het is de prijs die men over heeft voor het Europese ideaal. Een nobel streven als duidelijk zou zijn wat dat Europese ideaal nu eigenlijk inhoudt. Volgens een verslag in het dagblad Trouw van 20 september jl. vindt minister Van Aartsen van Buitenlandse Zaken een nadere precisering maar riskant. Bij de presentatie van een notitie over Europa zei hij dat nu praten over het einddoel van de Europese Unie ,,een valkuil'' is. ,,We worden het daar de komende tien jaar toch niet over eens. Als je die discussie begint, verzwakt dat de slagkracht van de Unie op dit moment'', aldus Van Aartsen.

En dan maar klagen dat de burger zich zo weinig interesseert voor Europa. Zeker, het Europees integratieproces is zeer gecompliceerd. Maar dat ontslaat de Nederlandse regering niet van een uitleg waarom het opgeven van allerlei nationale verworvenheden ten faveure van Europa nodig is.

Het is niet alleen de regering kwalijk te nemen. De Tweede Kamer weet ook nog nauwelijks wat nu de werkelijke gevolgen zijn van de steeds verdergaande Europese samenwerking. Of wil het niet weten. Tijdens het Europadebat in de Tweede Kamer van begin oktober had CDA-fractievoorzitter De Hoop Scheffer het over `een soort Europa' waar hij niet heen wilde. Hij doelde daarbij op de mogelijkheid dat Nederlandse wetgeving voor een nieuw stelsel voor de gezondheidszorg doorkruist zou worden door Europese regelgeving. In het kader van de subsidiariteitsgedachte moest volgens hem de politieke ruimte voor een dergelijke operatie in Den Haag worden bepaald en niet door Europa.

De rauwe werkelijkheid is dat Europa wel degelijk steeds meer de nationale politieke afwegingen begrensd en dat de Toquevilles almacht van de meerderheid in Europa zich over meer en meer nationale zaken zal uitstrekken. Een meerderheid waarbij bovendien de toon gezet wordt door de grote landen. In de Verenigde Staten is de positie van de afzonderlijke staten nog enigszins beschermd door de Senaat waarin elke staat onafhankelijk van de grootte even sterk is vertegenwoordigd. Het debat over een soortgelijke constructie in Europa leidt alleen in Nederland al tot grote controverses tussen de Europarlementariërs en nationale volksvertegenwoordigers uit één partij.

En zo dendert de Europese trein verder. Op weg naar verdere eenwording en uitbreiding, zich weinig bekommerend om democratische spelregels. Ruim honderdvijftig jaar geleden trok een Europeaan naar de Verenigde Staten en schreef een bezorgd boek. Het wachten is op de Amerikaanse Alexis de Tocqueville die Europa komt bezoeken.