Nieuwe loongolf

Al maanden staan permanent meer dan tweehonderdduizend vacatures open. Ondernemers en overheid kunnen die steeds lastiger vervullen. De krapte op de arbeidsmarkt zet opwaartse druk op de lonen. Werkgevers kopen mensen bij elkaar weg met steeds riantere aanbiedingen. Ondanks de toenemende spanning op de arbeidsmarkt komen de vakbonden volgend jaar met een centrale looneis van niet meer dan vier procent er bij. Alleen de bouwbond wil het overleg in met een eis van plus zes procent. Het kwam FNV Bouw anderhalve week geleden op een reprimande van VVD-fractievoorzitter Dijkstal te staan. Hij noemde looneisen van meer dan 3,5 procent `desastreus'. Dijkstal staat niet bekend als een groot econoom. Toch zou ook hij kunnen begrijpen dat stijgende lonen een normaal verschijnsel zijn wanneer de vraag naar arbeid van werkgevers het aanbod van werkzoekenden ver en langdurig overtreft. Forse loonstijgingen zijn dan de oplossing, niet het probleem. Het vooruitzicht van hogere lonen lokt extra arbeidsaanbod uit van mensen die nu al dan niet met een uitkering thuis zitten. Hogere loonkosten stimuleren werkgevers op hun beurt tot arbeidsbesparende investeringen en andere aanpassingen van het productieproces. De totale vraag naar werknemers zwakt hierdoor af. Toenemend aanbod en geringere vraag naar personeel – marktwerking in optima forma – lossen het erkende probleem van tekorten op de arbeidsmarkt op. Het is een beetje raar dat juist vooraanstaande liberale politici (Dijkstal, Jorritsma) afgelopen week verzet aantekenden tegen de werking van het prijsmechanisme en de bonden maanden tot terughoudendheid bij het komende loonoverleg.

Oproepen tot loonmatiging zijn niet onbegrijpelijk. In het collectieve geheugen heeft zich de ervaring van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw vastgezet. Ook destijds stegen de lonen sterk. De werknemersorganisaties slaagden erin compensatie te bedingen voor stijgende invoerprijzen en razendsnel oplopende sociale premies. De vakbonden konden het exploderende prijskaartje van de verzorgingsstaat voor een deel doorschuiven naar de werkgevers, omdat jarenlang volgehouden loonmatiging ook toen had geleid tot een uiterst gespannen arbeidsmarkt. De `loongolven' begonnen in 1964. Net als nu stonden bouwvakkers destijds vooraan in de loonstrijd. Na verloop van tijd kwamen de winsten onder druk te staan. Bedrijfssaneringen volgden elkaar op. Diepte-investeringen schakelden dure arbeid uit. De werkloosheid vloog omhoog. Daarop koos de vakbeweging eieren voor haar geld. Vanaf 1982 breekt een periode van beheerste loonsverhogingen aan. De vruchten waren zoet: sinds het midden van de jaren tachtig groeide de werkgelegenheid met twee miljoen arbeidsjaren (volle banen).

Het matigingsbeleid dreigt nu aan zijn eigen succes te gronde te gaan. Is dat erg? Niet wanneer hogere looneisen worden gezien als natuurlijk uitvloeisel van een goede marktwerking. Drie nadelen van forse loonstijgingen springen echter in het oog. Zij hebben te maken met de omvang van de economische inactiviteit, het inflatiegevaar en de gevolgen voor de overheidsfinanciën.

In Nederland zit nog altijd een groot aantal mensen zonder werk. Het gaat bijvoorbeeld om verborgen werklozen in de WAO en om mensen die via scholing en werkervaringsplaatsen hopelijk op weg zijn naar een reguliere baan. Hun productiviteit is vaak laag. Naarmate het loonpeil hoger komt te liggen, vinden dergelijke laagproductieve medewerkers minder gemakkelijk emplooi, omdat zij voor werkgevers hun arbeidskosten niet terugverdienen. Loonmatiging helpt deze groep sneller aan de slag.

Een loongolf(je) wakkert voorts de inflatie in Nederland aan. De prijzen stijgen volgend jaar toch al een stuk meer dan het geval is in de meeste andere landen die deelnemen aan de Economische en Monetaire Unie. Dat komt door de belastingherziening in januari aanstaande, waarbij de BTW en diverse milieuheffingen flink omhoog gaan. Werkgevers zullen oplopende loonkosten proberen door te berekenen in hun prijzen. Door een haasje-over van lonen en prijzen verslechtert onze concurrentiepositie binnen euroland – wat banen kost – , nog afgezien van andere nadelen die met een inflatoir klimaat zijn verbonden.

Ten slotte valt het recente tumult over de looneisen van de bouwvakkers te verklaren doordat de collectieve financiën worden geraakt. De schatkist en de sociale fondsen pikken enerzijds een graantje mee, doordat als gevolg van hogere lonen en bestedingen belastingen en sociale premies meer opbrengen. Anderzijds geeft de overheid ook meer uit. De bouw van wegen, kantoren en spoorlijnen wordt duurder. Ambtenarenbonden spiegelen zich aan de gang van zaken in de marktsector en eisen extra salaris voor overheidspersoneel. Uitkeringsontvangers krijgen meer in handen zolang hun uitkering de gemiddelde stijging van de CAO-lonen volgt (de fameuze `koppeling'). Dit alles maakt bij de Zalmnorm – een plafond voor de uitgaven – extra ombuigingen noodzakelijk. Een voor de hand liggende ombuiging is de uitkeringen te laten achterblijven.