Nederland wil meer `snelheden'

Hoe wordt de macht verdeeld in een uitdijend Europa? Dat is de centrale vraag waarvoor de vijftien staats- en regeringsleiders van de Europese Unie staan tijdens hun topconferentie in Nice.

Krijgt Duitsland voor het eerst formeel meer te zeggen dan Frankrijk? Alleen het feit dat daar openlijk over wordt gedebatteerd, maakt Nice al tot een `historische' bijeenkomst.

Hoe blijft de organisatie die oorspronkelijk bestond uit zes landen bestuurbaar als zij de komende jaren groeit tot misschien wel het vijfvoudige daarvan? Vijftien kandidaat-leden wachten ongeduldig af of nu wel de knopen worden doorgehakt die drie jaar geleden tijdens een gelijksoortige top in Amsterdam niet ontward werden.

Wordt Europa eindelijk slagvaardiger? Gekkekoeienziekte, klimaattop, benzine-crisis – het zijn maar een paar recente voorbeelden van gezamenlijke problemen waar de afzonderlijke landen toch hun eigen weg gingen.

Het kan raar lopen in Europa. Toen de Nederlandse delegatie vorig najaar op het Elysée de wederzijdse wensen en verlangens voor de Europese Unie besprak, moest de Franse president Chirac weinig hebben van meer `versterkte samenwerking'. Twee snelheden binnen de EU? Liever niet, vond Parijs. Maar met steun van andere landen werd het Nederlandse initiatief toch een gespreksthema. Afgelopen voorjaar promoveerde het zelfs tot punt op de Franse agenda en nu doet vrijwel iedereen er zó enthousiast over, dat er een gerede kans is dat het in Nice een succesnummer wordt.

Die omslag is begrijpelijk, want meer versterkte samenwerking biedt wellicht een uitweg voor landen als Nederland, die binnen de EU nauwer willen samenwerken, maar daar tot dusver geen kans voor krijgen omdat ze door anderen worden gedwarsboomd. Want zonder unanimiteit kent de EU geen flexibiliteit. Die blokkade lijkt in Nice te sneuvelen.

,,De hoofdroute blijft meerderheidsbesluitvorming. Daar waar nodig en mogelijk willen we meer versterkte samenwerking. Lukt het niet de hoofdroute te verbeteren en uit te breiden? Jammer, maar dan hebben we wel de vluchtroute verbeterd'', zei staatssecretaris Dick Benschop in oktober in Biarritz over de spagaat tussen de communautaire droom en de intergouvernementele daad. Hij noemde twee voorwaarden: ten minste acht van de vijftien EU-landen moeten meedoen (om het risico van versplintering te beteugelen) en het moet een `open' zaak zijn: landen die later alsnog mee willen en kunnen doen, mogen niet worden geweigerd.

Wat de andere left-overs van `Amsterdam' betreft zit Nederland volgens premier Kok nog wel met ,,een identiteitsprobleem', omdat het zich zowel de kleinste van de grote landen vindt, als de grootste van de kleine landen. Die tussenpositie wil Nederland bij herverdeling van de stemmen in de Raad graag verzilverd zien in meer gewicht dan België, Portugal en Griekenland. In Amsterdam liep dat uit op een stevige clash tussen Kok en zijn Belgische collega Jean-Luc Dehaene. Diens opvolger Guy Verhofstadt omarmt het model van de dubbele meerderheid en vindt dat Nederland daarin voldoende aan zijn trekken komt.

Voor de omvang van de Commissie houdt Nederland vooralsnog vast aan het beginsel van één commissaris per lidstaat. Te zijner tijd kan een plafond nodig zijn om de Commissie bestuurbaar te houden. Nederland is dan bereid bij toerbeurt af te zien van `zijn' commissaris, mits ,,de gelijkheid van de lidstaten in marmer staat gebeiteld'', zoals Kok zei.