Lief en leed voor de fiscus

In het nieuwe belastingstelsel is zoveel mogelijk uitgegaan van het individu. Toch mogen partners fiscaal nog wel enige zaken delen.

VANAF 2001 BETALEN PARTNERS zoveel mogelijk zelf belasting over hun inkomen, te verminderen met eigen aftrekposten. Toch zijn sommige inkomsten en aftrekposten gemeenschappelijk, maar dat pakt niet altijd voordelig uit. Wat is eigenlijk een partner, althans voor de belastingdienst?

Wanneer u getrouwd bent of als partners bij de burgerlijke stand staat geregistreerd, bent u automatisch elkaars partners, tenzij u duurzaam gescheiden leeft.

Woont u ongehuwd samen – ongeacht of er een samenlevingscontract is – dan moet u aan de volgende drie voorwaarden voldoen, om de fiscale zegen te krijgen.

U voert in een jaar meer dan zes maanden onafgebroken samen een huishouding.

U staat beiden bij de gemeente ingeschreven op hetzelfde adres.

U bent beiden 18 jaar of ouder. Woont u samen als ouder en kind, dan moet het kind minimaal 27 jaar oud zijn.

Maar dan bent u er nog niet. U moet het partnerschap melden aan de fiscus via een aangiftebiljet of een verzoek om voorlopige teruggave. Die keuze geldt slechts voor één belastingjaar. Het jaar erop mag u weer solo gaan, wanneer dat bijvoorbeeld voordeliger uitkomt. Gehuwden en geregistreerden hebben geen jaarlijkse keus.

De fiscale definitie van samenwonende partners verschilt van die in het erf- en huwelijksrecht. Samenwoners erven niet automatisch van elkaar, en zijn niet verplicht elkaar te onderhouden. Qua inkomen en vermogen zijn ze twee verschillende bedrijven, hoewel dat voor de belastingheffing op enkele punten (desgewenst) niet het geval is. Veel pensioenregelingen eisen een samenlevingscontract, anders ontvangt de langstlevende partner geen partnerpensioen. Kortom: de ene partner is de andere niet. Het is zeer belangrijk de (wettelijke) verschillen te kennen.

Voor gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten in box 1 (inkomen uit werk en woning) kunnen fiscale partners een onderlinge verdeling kiezen: wie wordt voor welk deel belast? Elke verdeling is toegestaan, mits er maar 100 procent wordt aangegeven. Een voorbeeld. Een partner geeft 70 procent van de kinderopvangkosten aan, de ander 30 procent. Deze verdelingsvrijheid geldt ook voor de bezittingen en schulden in box 3 (inkomen uit sparen en beleggen). Op welke punten kunt u kiezen voor delen?

De Belastingdienst noemt vijf categorieën. De uitgaven voor kinderopvang. Inkomen uit een aanmerkelijk belang in een bedrijf. Bezittingen en schulden in box 3. Zes posten die tot de persoonsgebonden aftrek horen, waaronder het levensonderhoud van kinderen tot 27 jaar, ziektekosten en buitengewone uitgaven. En als vijfde het saldo van het eigenwoningforfait en de aftrekposten van de eigen woning.

Het is niet toegestaan dat de ene partner het forfait aangeeft (bij zijn inkomen telt) en de andere de hypotheekrente aftrekt van zijn inkomen. Anders telt iedereen het forfait bij het laagste inkomen en de rente bij het hoogste. Alleen het saldo mag worden verdeeld.

Wanneer twee mensen die willen gaan samenwonen ieder in een eigen koophuis wonen (belast met een hypotheek), lopen zij een risico. Je mag per paar maar één hoofdwoning kiezen. Die valt verplicht in box 1, waar de hypotheekrente aftrekbaar is. De andere woning valt in de vermogensbox 3, waar de rente niet langer aftrekbaar is en het forfait vervalt. Bovendien geldt in die box de vermogensrendementsheffing van 1,2 procent over het saldo van de wettelijk vastgestelde waarde van het huis (op grond van de WOZ, de wet Waardering Onroerende Zaken) en de hypotheekschuld. Dat kan onvoordelig uitvallen.

Interessant is de politieke discussie over het verplicht samenwonen van echtparen. Nu moeten de partners formeel op hetzelfde adres wonen, wat ook de fiscus als uitgangspunt neemt in de één-eigenwoningbenadering. Wanneer die verplichting vervalt, moet de fiscus dan twee hoofdwoningen (met renteaftrek) toestaan?