`Kijk naar die knopen, kijk naar dat stiksel'

Vandaag opent Piet Zoomers langs de snelweg bij Deventer zijn nieuwe winkel. Viereneenhalfduizend vierkante meter broeken, rokken en jassen. Zelf houdt hij ermee op, al weet hij eigenlijk niet waarom. Zijn zoon Bas wordt directeur, met een compagnon.

Piet Zoomers, modekoning, is niet vrolijk. Het is vrijdagmiddag 1 december, zijn verbouwde en veel groter geworden modepaleis in Wilp gaat over een paar dagen weer open. En nu heeft de cardioloog een uur geleden tegen hem gezegd dat zijn hart niet goed is. Hij moet geopereerd worden, zo snel mogelijk.

Piet Zoomers, 60 jaar, kaal, groot, maar niet dik, zit in het kantoor van zijn nieuwe distributiecentrum in Deventer en hij kijkt door de glazen wand naar het meisje dat de gang aan het stofzuigen is. ,,Vreselijk'', zegt hij. ,,Vooral omdat ik me niet mag opwinden.''

Hij blijft nog een tijdje kijken, staat dan op, loopt naar de deur en zegt: ,,Meisje, wil je ophouden? Ik kan absoluut niet tegen het geluid van stofzuigers. Ik ben daar jaren voor in behandeling geweest. Het heeft niet geholpen. Dus zet als-je-blieft die stofzuiger uit.''

Nee, dat van die behandeling meent hij niet. ,,Wat moet ik anders zeggen? Dat ik hier de baas ben?''

Het kan hem geen pest schelen wat mensen van hem denken, zegt hij. Hij ziet er uit als iemand die níks nog een pest kan schelen. Hij heeft de zenuwen. Hij zegt het niet, maar hij is natuurlijk bang dat hij het loodje legt. Jammer, het loodje leggen nu hij zijn levensdoel bijna heeft bereikt. Piet Zoomers heeft in Wilp, aan de snelweg bij Deventer, de eerste modemall van Nederland laten bouwen. Viereneenhalfduizend vierkante meter businesspakken, jassen, hemden en broeken, elf speciale merkenshops en veertien lifestyle-afdelingen, kinderentertainment, bonuspunten, een loterij met een Landrover als hoofdprijs en de komende weken een gratis kerstboom voor iedere klant die wat bij hem koopt. En op de parkeerplaats komt een levende kerststal. En er zijn warme crèpes. En bekers glühwein. Een investering van 20 miljoen gulden.

Maar van levensdoel wil Piet Zoomers, voorheen jongste bediende in een winkel voor herenkostuums, niet horen. ,,Onzin'', zegt hij. ,,Ik heb mijn werk altijd goed willen doen. Dat is alles.''

Hij heeft weinig zin om te praten. Maar als hij eenmaal begonnen is, trekt hij bij. ,,Geboren in Deventer, op 1 november 1940, dus ik ben een schorpioen'', zegt hij. ,,Ik vind dat niet belangrijk. Maar mijn vrouw wel. Die heeft daarin gestudeerd. In het verleden heb ik bij sollicitaties weleens zo'n bureau ingeschakeld. Eén keer kreeg ik een waarschuwing. Deze persoon heeft veel talent, maar gaat aan de poten van jouw stoel zagen. Mooi, dacht ik. Die moet ik hebben. Na een jaar is hij weggegaan. Van dat zagen aan mijn poten heb ik niks gemerkt.

,,Een schorpioen is of slecht en crimineel of heel goed. Ik geloof daar wel in. Ik geloof ook in God, al kan ik niet zeggen dat ik dat de hele dag met me meedraag. Het is er als kind bij me ingestampt en het is blijven hangen. Ik kom uit een katholiek gezin met zeven kinderen. Mijn vader had een groothandel in suikerwaren. Mijn moeder was een schat. De beste moeder die er bestaan heeft. Ze is 92 jaar geworden en iedere keer dat we elkaar zagen was het een feest.

,,Ik was het vierde kind, de middelste. Ik heb er nooit over nagedacht of dat voor mijn karakter wat heeft uitgemaakt. Toen geluk nog heel gewoon was, dat was de sfeer thuis. Daarom kijk ik zo graag naar dat programma. Als Hiltermann sprak, moesten wij stil zijn. En op zondag kregen we witte boterhammen met Berliner worst. Nu eet je in de duurste restaurants de lekkerste gerechten en dan zit je nog te klagen. De laatste jaren rij ik vaak even door mijn oude buurtje. Je kijkt naar het muurtje waar je met de andere jongens de bal tegenaan schopte. En daar was de opslagplaats van de chemische fabriek. We trokken teer uit de tonnen en die gebruikten we als kauwgom. Wat een tijd, denk je. Teer als kauwgom.

`Ik was een buitenbeentje. Ik ben de enige die wat is gaan ondernemen. Op mijn veertiende wist ik één ding: ik wil niet op kantoor. Ik wilde de horeca in. Maar dat mocht niet van mijn vader. Hij vond dat ik bij de belastingdienst moest gaan werken. Dat ging gelukkig niet door omdat de ambtenaar met wie we een afspraak hadden niet op tijd was. Toen kwam ik bij Caltex. Op een dag kwam de directeur bij ons thuis, hij zei: we verhuizen naar Hengelo en Piet moet mee. Ik zei: nee, papa, nee, ik wil niet, dan moet ik toch op kantoor. Uiteindelijk bracht mijn vader me onder bij twee vrijgezellen die een groothandel in dassen en handschoenen hadden. Meneer Thomas en meneer Jeremias. De eerste dag kwamen ze twee uur te laat. Zoomers? Zoomers? zeiden ze toen ze er eindelijk waren. O ja, Zoomers. Nou, Zoomers, jij wordt onze directeur. We zullen even voor je opschrijven wat je moet doen. Even kijken, wc schoonmaken, stof afnemen, orders verwerken. En als je klaar bent, mag je naar huis. Na zes weken vroeg mijn vader of het goed ging. Heel goed, zei ik. Mooi, zei hij, dan ga je opslag vragen. Ik was zestien jaar en ik moest van mijn vader aan mijn baas opslag gaan vragen.

,,Op een dag zeiden meneer Thomas en meneer Jeremias dat ik dassen moest gaan verkopen. Hier heb je een hoed en een jas en een kaartje voor de bus, en doe je best hè, dahag. Aan het eind van de dag had ik er niet één verkocht. Meneer Thomas en meneer Jeremias lachten zich helemaal dood. Die twee lachten overal om. Je lult maar een eind heen. Dat heb ik van hen geleerd. Ik had veel respect voor ze. Ik heb altijd veel respect gehad voor mijn superieuren. Ik heb ook altijd met heel veel plichtsbesef gewerkt. Later, toen ik verkoper was in een herenmodezaak, kwam ik iedere avond thuis met premie. Mensen iets aankatsen, daar was ik erg goed in. Iemand past een pak, het zit niet helemaal goed, maar je zegt: kijk eens wat een mooi stiksel, kijk eens naar die knopen. Ik heb mijn vader nog een pak in maat 46 verkocht terwijl hij maat 44 had. Ik zei: we maken gewoon die mouwen wat korter. Toen ik hem er thuis in zag, schaamde ik me.

,,Als ik nu merk dat een van mijn verkopers staat te drukken, zeg ik er onmiddellijk wat van. Ik wil dat niet hebben in mijn winkels. Je jaagt de mensen ermee weg. Ze worden er bang van. Als ik van voorraden af moet, haal ik wat van de prijs af. Ik zet er absoluut geen premie op.

`Ik ben voor mezelf begonnen toen mijn baas failliet ging. Dat was in 1972. Ik werkte bij Tielkes, ik had me daar opgewerkt van verkoper naar de positie van tweede man. Op mijn vierentwintigste was ik chef geworden van het filiaal in Zutphen. Toen ik er kwam, was er een omzet van zeseneenhalve ton per jaar. Mijn baas zei: heel knap als het meer wordt. Het was al heel snel een miljoen. 's Avonds ging ik vanaf de overkant naar de etalage kijken. De sfeer, de uitstraling – dat is zo belangrijk. Ik wilde een etalage met een goeie prijsopbouw, een goeie kleuropbouw en veel variatie. Maar ook: duidelijkheid. En niet te vol. Dat was toen nieuw. Op koopavond waren alle winkels tussen zes en zeven dicht. Behalve wij, want ik zag: rond die tijd komen de mensen aan met de bus en dan moeten ze bij mij naar binnen kunnen.

,,Het ging mis toen mijn baas filialen ging openen in Brunssum en Hilversum. Dat was een te grote stap. Het was buiten de lokale markt, er heerste daar een totaal andere cultuur. Ik zag het fout gaan. Ik had mijn hele ziel em zaligheid in dat bedrijf zitten. Maar ik had geen enkele zeggenschap. Ik dacht: dit gebeurt me niet nog een keer.''

Wat volgde heeft Piet Zoomers al vaak verteld. Hoe hij in de slaapkamer van zijn huis in Wilp begon met de verkoop van T-shirts en goedkope broeken. Hoe hij in het eerste jaar al acht ton omzette. Later begon hij met merkkleren (McGregor, Corneliani, Hugo Boss), voor lagere prijzen dan de concurrentie. Hij hield zijn zaak 's morgens dicht, maar ging 's avonds en in het weekend open. Hij had al snel shuttlebussen nodig om zijn klanten van de extra parkeerplaatsen bij de snelweg naar de loods achter zijn huis te vervoeren. In 1990 had hij 25 mensen in dienst en een omzet van 25 miljoen gulden. Nu heeft hij 250 mensen in dienst, met een omzet van 75 miljoen gulden.

Op dinsdagochtend 5 december, twee dagen voor de opening, vertelt Piet Zoomers, sponsor van het Nederlands Elftal (hij kleedt alle spelers en bestuurders aan), dat hij zijn dieptepunt beleefde in 1992. Hij rijdt in zijn oude Mercedes van Wilp naar het Hans-en-Grietjehuis in Gorssel waar hij nu vier jaar woont. Hij is niet meer zo bedrukt als de vrijdag ervoor. ,,Volgende week ga ik naar het ziekenhuis.'' Hij wil laten zien hoe gezellig hij en zijn vrouw het daar hebben, met de in warme kleuren geverfde kamers, en de tuin, en de schilderijenverzameling en de wijnkelder. Ja, hij golft nu ook. En hij gaat naar het Concertgebouw in Amsterdam.

`Voor 1992'', zegt hij, ,,zag ik mezelf als koopman. Ik kocht en ik verkocht en mijn doel was een zo groot mogelijke omzet. Als mijn accountant zei dat ik ook winst moest maken, zei ik: man, zeur niet. Ik betaal iedereen op tijd en om het geld doe ik het niet. Administratie is nooit mijn sterkste punt geweest. Daar had ik een boekhouder voor en mijn grootste fout is geweest dat ik hem niet controleerde. Op een dag belde mijn accountant mij. Ze hadden een briefje aan mijn boekhouder gestuurd met wat vragen en dat had hij per kerende post teruggestuurd. Waar bemoeien jullie je mee? Gaat jullie niks aan. De volgende ochtend zou ik een hartig gesprek met hem hebben. Maar die avond kreeg hij een hartaanval. Toen bleek dat we een belastingschuld van 1,8 miljoen hadden en een openstaande post crediteuren van 1,2 miljoen. De bank zei: u heeft toch wel geld in het buitenland? Ze begrepen niet hoe ik zo naïef had kunnen zijn. Ik heb me nog nooit zo denigrerend behandeld gevoeld als toen.

,,Het is goed gekomen doordat de bank door tussenkomst van iemand die mij goed kende toch bereid was om me 3 miljoen gulden te lenen. Ze zeiden: we hoeven een jaar niets van je te horen en we vinden het niet erg als je nog een half miljoen verlies lijdt. Verlies? zei ik. Verlies? Ik heb dat jaar een half miljoen gulden winst gemaakt. Sindsdien noem ik mezelf manager. ,,Je verbaast je soms hoe ook in de grootste bedrijven mensen de grootste fouten kunnen maken. Zo'n Schrempp van DaimlerChrysler, dat is toch eigenlijk niet te geloven. Ik laat nu een gezond bedrijf over aan mijn zoon en zijn compagnon Richard van Roon. We gaan niet uitbreiden naar het westen. We gaan zeker niet naar de beurs. Zo'n avonturier ben ik nooit geweest. Ik ben wel zo arrogant dat ik kan zeggen waarom het bij mij goed gaat en bij Kreymborg en C&A niet. Als ze nou eens zouden beginnen om hun verkopers vriendelijkheid bij te brengen. Mensen zoeken warmte, gezelligheid. In enquêtes zeggen ze dat ze winkels uitkiezen op hun assortiment. Onzin. Ze kiezen op sfeer.''

Maar eigenlijk, zegt hij, eigenlijk weet hij niet goed waarom hij zo'n succes heeft. ,,Ik kan mijn klanten zo op straat aanwijzen. Maar ik kan niet uitleggen waarom zij het zijn.''