Jansons mag Mahlersymfonie dirigeren

Mariss Jansons dirigeert het Koninklijk Concertgebouworkest in de Zevende symfonie van Mahler. Zelfs in de Mahlerstad Amsterdam is dat uitzonderlijkheid in het kwadraat. Niet alleen is de Zevende een exceptioneel werk binnen Mahlers oeuvre, het is ook bijzonder dat het een gewone gastdirigent wordt toegestaan het Heilige der Heilige van het traditionele Amsterdamse symfonische repertoire te betreden.

De Waart, Vonk en Gardiner dirigeerden de afgelopen jaren `slechts' liederencycli van Mahler. Sir Georg Solti dirigeerde in 1992 Das Lied von der Erde, `een soort symfonie'. Dat Jansons nu met de Zevende een echte grote symfonie dirigeert, tekent de waardering voor de topdirigent. Zijn Amsterdamse optredens zijn veelal hoogtepunten van het seizoen.

De vijfdelige Zevende symfonie met zijn twee befaamde `Nachtmuzieken' is Mahler voor gevorderde Mahlerliefhebbers èn voor gevorderde Mahlerdirigenten. Het zeker bij eerste beluistering zo moeilijk te bevatten en weerbarstige werk, door sommigen wel voorzien van de bijnaam `Der problematische', heeft vele decennia lang slechts een incidentele uitvoeringsgeschiedenis gehad. Daardoor is er geen standaardinterpretatie ontstaan waaraan dirigenten zich kunnen spiegelen of tegenin kunnen gaan.

Dat schept ook uitdagingen. Bijna elke uitvoering is fris en onbelast, als bij een première, een dirigent zal er vooral zelf vorm aan moeten geven. Zo is de Zevende dè Mahlertest, zij het dat de normen niet vast staan en zelfs deels tijdens de uitvoering moeten worden geschapen. De uitvoeringen door verschillende orkesten in Amsterdam in het laatste decennium onder leiding van Haitink, Rattle, Haenchen, De Waart en Chailly verschilden dan ook in klankbeeld en karakter van elkaar als bij weinig andere stukken.

`Mahleriaans' lijkt het eerste en meest voor de hand liggende criterium voor een uitvoering van de Zevende. Het oeuvre van Mahler is immers consistent in zijn combinatie van tijdelijke aardse zaken en eeuwige hemelse spiritualiteit: doem en dood, gevolgd door verlossing en verlichting. Van dat vertrouwde Mahlerbeeld is bij Jansons slechts gedeeltelijk iets te traceren. Hij zet het in ieder geval niet nadrukkelijk aan, zodat het werk als geheel een licht, zelfs wat luchtig en goedmoedig karakter krijgt.

Deze Zevende begint nog wel zwaar, langzaam en ruig, alsof de symfonie versuft en groggy bijkomt van de verpletterende doodsverschrikkingen van de Zesde. In het bijna ongeordende chaotische klanklandschap dat Jansons in het openingsdeel zeer beeldend schildert, wordt het pandemonium eerder overheerst door opgeluchte uitgelatenheid, een pastorale rust en een magische blik op het majestueuze uitspansel, dan door huivering en existentiële angsten.

Na deze opwindende vooravond volgen de nacht (eerste Nachtmusik), middernacht (het centrale Scherzo), de nanacht (tweede Nachtmusik) en een triomfantelijk ochtendgloren (Finale). De laatste vier delen kregen ondanks hun duistere aspecten weinig verontrustends en eerder een opgeluchte en bijna zorgeloze sfeer. Zo was het Scherzo wel wat sardonisch en ongrijpbaar, maar allerminst serieus bedreigend, ook al liepen onder Jansons' handen sommige passages vooruit op Strawinsky's Le sacre du printemps. En de nachtmuzieken schenen niet mysterieus blauw-zwart en zwoel, maar leken opgehelderd door een bleke maan of misschien wel noorderlicht. Geen wonder dat de alpenkoeien met hun bellen rinkelen en gitaar en mandoline zich laten horen!

Waar Chailly een overweldigend briljant opgepoetste klankpracht etaleerde in een sterk contrasterend opgebouwd geheel, daar klonk bij Jansons tijdens de eerste uitvoering eerder argeloosheid en onbevangenheid binnen een weinig vooropgezet concept of een allesbeheersend idee. `Het' gebeurde nog niet ten volle overtuigend, maar dat kan bij de komende uitvoeringen nog komen.

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons. Gehoord: 6/12 Concertgebouw Amsterdam. Herh.: 7/12 Amsterdam; 9/12 Rotterdam.

Radio 4: 21/1 (opn. 7/12).

    • Kasper Jansen