`In Boijmans is men spoor bijster'

Karel Schampers is het vierde staflid dat Museum Boijmans de rug toekeert. Hij werd begin deze maand directeur van het Frans Halsmuseum. De nieuwe directeur over zijn plannen en zijn verleden.

Karel Schampers werkt zich in onder het dak van een voormalig 17de-eeuws Oudemannenhuis in Haarlem, het Frans Halsmuseum. Drie conservatoren en veertig personeelsleden waken daar over een collectie oude kunst met schutters en zeeën (7.535 stukken) en moderne werken (8.275 stukken). ,,Onder de bestaande verzameling moderne kunst wil ik hier een streep zetten en me helemaal richten op de hedendaagse kunst'', zegt Schampers, die zijn functie Hoofd Museale Zaken en conservator Moderne Kunst van Museum Boijmans Van Beuningen verruilde voor het directeurschap in Haarlem. ,,Met jaarlijks 68.000 gulden voor moderne kunst kan je hier de bestaande, Nederlandse collectie niet in retrospectief aanvullen. Pure, hedendaagse Nederlandse kunst bestaat niet meer. Kunstenaars vormen een internationale gemeenschap.''

Schampers bracht in vijftien Boijmans-jaren de heimelijke fotografische zoektochten van Sophie Calle, de metamorfoses van Cindy Sherman, de datumschilderijen van On Kawara. En Matthew Barney, die met zijn Cremaster-videoserie een waarachtig andere wereld vol glamour, sport en waanzin weet op te roepen, kreeg de vrije hand in een spectaculaire racebaan op de museale binnenplaats.

Schampers is het vierde staflid dat Boijmans de rug toekeert (na Johan Ter Molen, Ernst van Alphen, Manfred Sellink). Waarom hield hij zich in april vorig jaar afzijdig toen vier hoofdconservatoren een `vertrouwenscrisis' met Boijmans-directeur Chris Dercon naar buiten brachten? En waarom stapte hij alsnog op? ,,Ik was toen op reis. Redelijk snel daarna kon de staf met directie en gemeente de impasse bespreken. De latere bemiddelaars gebruikten andere kanalen om zaken naar buiten te brengen. En intussen zocht ook het hele personeel naar oplossingen om uit de crisis te geraken.

,,De cultuurkloof tussen directie en staf is nog steeds niet goed gedicht. Het conflict is gesust om de interne organisatie te kunnen verbeteren, terwijl het eigenlijke probleem veel principiëler is dan een gebrek aan communicatie of management. Er heerst een tweespalt over de toekomstige koers van het museum, en die is nooit ter discussie gesteld.

,,De vertrokken collega's zijn meer geïnteresseerd in het museum en in de kunst dan in een discours over de functie van het museum en de positie van de kunst in de samenleving. Ze keken naar Boijmans vanuit de kunst. Een schatkamer voor conservering, onderzoek en presentatie, een plek waar het publiek een kunstwerk beleeft, ervaringen opdoet in wisselende contexten, en waar het geïnformeerd wil worden.

,,Chris Dercon ziet het museum van de 21ste eeuw als een universiteit, een plek om te lezen en te weten. Kunst moet er bediscussieerd worden als exponent van een grote, cultuurhistorische en sociale beweging. De collectie moet ondergeschikt worden gemaakt aan ideeën, concepten en maatschappelijke theorievorming. Ik heb daar grote moeite mee. Kunstwerken zijn voor mij geen illustraties van theoretische verbanden. Ik wil me juist dienstbaar maken aan de kunst, de kunstenaars èn aan het museum.

,,Door de interne problemen en de politieke druk heeft Chris in zijn recente beleidsstukken een stap terug gedaan. Door dat teveel aan concessies en compromissen weet niemand meer waar het museum aan toe is. Chris moet nu helderheid verschaffen en positie kiezen. In interviews heeft hij een aantal keren gezegd vooral met `mensen van zijn niveau, zoals Rem Koolhaas' te willen omgaan. Daarmee geef je de indruk dat museummedewerkers blijkbaar niet van jouw niveau zijn. Dat lijkt me onverstandig.

,,Feit blijft dat de Rotterdamse politici met zijn benoeming óók voor zijn optiek hebben gekozen. En dan dient men hem òf de volledige ruimte en verantwoordelijkheid te geven òf hem terug te fluiten. Wethouder Kombrink van cultuur zou eens duidelijk naar voren moeten brengen of de gemeente het wel of niet eens is met Chris' opvattingen. En dan is het aan Chris om daaruit zijn conclusies trekken. Mijn persoonlijke standpunt staat daar los van.

,,Het is jammer dat er nu zoveel halfslachtigheid en onduidelijkheid heerst. Onder Wim Crouwel (1985-'93) was een ieder zeer betrokken en zelf verantwoordelijk. Men kreeg de vrije hand en dat maakt mensen enthousiast. Die betrokkenheid is nu weg, iedereen zwijgt, men is het spoor bijster.''

Terug naar het Frans Halsmuseum. Schampers verwacht er dat de conservatoren zelf aan de slag gaan en met voorstellen komen, dat de andere medewerkers exposities bezoeken, hun opvattingen kenbaar maken, en vooral dat een ieder met plezier in dit museum werkt èn dat ook uitstraalt. ,,Het museum moet natuurlijk een eigen gezicht hebben, niet versnipperd en bestemmingsloos raken. Het is een plek voor `serious pleasure', een combinatie van aangenaam verpozen en kennis opdoen. En het publiek mag gastvrijheid en zorgzaamheid verwachten.''

Elk jaar zal de vaste opstelling zich thematisch wijzigen en elk anderhalf jaar staat een flinke tentoonstelling van oude kunst op het programma. De nabije Vleeshal zal alleen internationale, hedendaagse kunst bieden. Net als in Boijmans wil Schampers af en toe gastconservatoren uitnodigen, ,,die zoals Peter Greenaway en Bob Wilson met hun ruime ervaring in ensceneren een theatrale overdaad aan visuele genoegens weten te bieden.''

Nee, zegt Schampers, ,,ik voel me niet in de eerste plaats een kunsthistoricus, daarvoor doe ik te weinig onderzoek. Ik ben bovenal een liefhebber, die allerlei bedrijfstechnische verplichtingen op zich heeft genomen. Dankzij Crouwel weet ik hoe belangrijk het is om intern die specifieke voorwaarden te scheppen waardoor men vertrouwen in de leiding heeft en in zichzelf. De kunst van het kijken dank ik aan mijn Amsterdamse hoogleraar Hans Jaffé, die zijn studenten een uur voor een schilderij neerzette. Het ging hem niet om een wetenschappelijke analyse of een probleemstelling. `Beschrijf maar wat je ziet', zei hij dan. En zo'n zelfde training in kijken gaf me Edy de Wilde toen ik tijdens zijn directeurschap in het prentenkabinet van het Stedelijk Museum werkte. Net als De Wilde geloof ik in het absolute primaat van het kunstwerk. Het verdient respect en waardigheid. Een kunstwerk mag nooit gedegradeerd worden tot een illustratie. Daarom zou ik in Boijmans ook ongelukkig zijn geworden. Je moet de zienswijze van een kunstenaar juist versterken. `Homogeniteit van visie is belangrijker dan breedheid van opzet', vond De Wilde, en daar ben ik het volledig mee eens. Als museumman zal ik een aantal kunstenaars verzamelen die als pars pro toto kunnen dienen voor het totaal. Ik zal, net als vroeger onder Crouwel, een verbond sluiten met zowel de kunstwerken als de kunstenaar. Door de vriendschappen die daar uit voortkomen voelt een kunstenaar zich medeverantwoordelijk voor een presentatie, hij krijgt een band met het museum, dat zich op die manier van andere onderscheidt en vaak ook nog begunstigd wordt met schenkingen.''

    • Marianne Vermeijden