IJsco

Bijna 25 jaar geleden stuitte ik, al bladerend door het literaire tijdschrift Maatstaf, op het korte verhaal `Onrustige dagen' van de hand van ene F.B. Hotz. Ik las het en was zo onder de indruk van de kwaliteit dat ik meteen wilde weten wie deze Hotz was. Het kon niet zomaar een jonge debutant zijn, overwoog ik. Die beginnen zelden met zulk bezonken Elsschotiaans proza dat knarst van het ingehouden sarcasme. Zou het geen bekende schrijver kunnen zijn die zich voor de grap achter een pseudoniem verschool?

Ik schreef een brief aan Nico Scheepmaker, toen columnist (`Trijfel') van de krant waarvoor ik werkte. Hij las het verhaal, was even enthousiast als ik en ging, nieuwsgierig als hij was, meteen voor zijn rubriek op onderzoek uit. Zo kwam hij bij Theo Sontrop, directeur van De Arbeiderspers, terecht. Die vertelde hem de aardige parabel van de ijsco.

Uitgevers worden bedolven onder ongevraagde manuscripten, legde Sontrop uit. In 99 van de 100 gevallen stuurde hij ze zo snel mogelijk terug. ,,Soms als je het slecht treft, krijg je dan de volgende dag een verontwaardigd telefoontje van een mevrouw die zegt dat we haar manuscript van 400 bladzijden nooit in een halve dag gelezen kunnen hebben! Dat klopt, mevrouw, zeg ik dan, daarom schrijf ik ook dat we er kennis van hebben genomen. Stel, het is een warme, zomerse dag, u hebt een droge tong, u koopt een ijsco, u neemt een eerste lik, en u proeft meteen: dat ijs deugt niet! Die ijscoman heeft er peper en zout door verwerkt! Eet u dan toch eerst het hele ijsje op voordat u gaat klagen, of geeft u uw ijsje meteen na de eerste lik al aan hem terug?''

Het eerste ijsje van Hotz dat Sontrop zag, was het verhaal `De tramrace'. Het lag zomaar bij die stapel opgestuurde manuscripten. Sontrop: ,,Ik zag meteen dat ik met een buitengewoon zeldzaam geval te maken had, namelijk iemand die kon schrijven, en ik liet het manuscript in vijfvoud fotokopiëren. Iedereen las het, en iedereen was het erover eens dat de schrijver [...] een revelatie zou worden in de Nederlandse letteren.''

Hotz was toen 54 jaar. Hij schreef al sinds jaren, maar had nooit eerder gepubliceerd. Hij opende nu zijn mappen en stortte een vracht aan prachtige verhalen over ons uit. Die eerste verhalen vind ik en ik hoop niet dat het om nostalgische redenen is nog altijd de mooiste. Zijn stijl was toen nog wat stroef en log, maar voor mij persoonlijker dan de karige stijl die hij zich later aanwende.

Gisteren, nadat ik bij Maarten 't Hart las dat hij was overleden, heb ik Onrustige dagen herlezen. En meteen was ik weer in de ban. Een man uit Bussum overweegt overspel, maar hij bedenkt zich als de Eerste Wereldoorlog ook Nederland dreigt mee te slepen: ,,[...] men hoort samen te blijven als het overal ziekelijk weerlicht en davert.''

Hotz kon fraaie aforismen schrijven. Bij zijn dood lijkt deze me wel toepasselijk (uit Dood weermiddel): ,,Alles eindigt in ironie. Als we twintig zijn believen wíj ironisch te doen; als we oud zijn is het leven het.''