Haagse privé-verzamelingen in keurslijf

Vriendenverenigingen van musea zijn doorgaans geboren uit particulier initiatief, waarbij privé-verzamelaars vaak een actieve rol speelden.

Het verbaast dan ook niet dat, toen het Haags Gemeentemuseum bij zijn 1400 vrienden informeerde wie van hen verzamelt, er 300 reacties kwamen. In Paleis Lange Voorhout, onderdeel van het Gemeentemuseum, is nu een keuze uit hun collecties te zien.

Het is een goed idee om de presentatie in dit woonpaleisje te houden, met zijn huiselijke indeling en kamers van intieme proporties. Omdat de beeldende kunst wordt afgewisseld met glas- en serviesgoed, soms opgesteld in de kasten waarin collectioneurs ze thuis ook opbergen, wordt aanvankelijk de indruk van een privé-opstelling gesuggereerd.

Maar het Art-nouveau-glas in één vitrine blijkt afkomstig te zijn uit drie verschillende collecties, en hetzelfde geldt voor de schilderijen van Lucassen, Raveel en Freijmuth die in de volgende kamer zo mooi met elkaar combineren. De opstelling is esthetisch en kunsthistorisxch verantwoord; een sculptuur van gestapelde keramieken koeienkoppen van Carolein Smit is een goede match met de dierschilderijen van Marc Mulders, en de kinderportretten van Jan Sluijters zijn een lust voor het oog naast een Charley Toorop en een luministisch geschilderd naakt van Leo Gestel.

De Bergense School is trouwens opvallend goed vertegenwoordigd in Haagse collecties, in tegenstelling tot de Haagse School. Hedendaagse kunstenaars uit de hofstad, zoals Willem Hussem, Frank van Hemert en Auke de Vries, zijn weer wel veelvuldig aanwezig zijn. Een bijzondere vondst in privé-bezit zijn twee doeken van Bart van der Leck, Het snoepwinkeltje uit 1910 en een abstracte Compositie uit 1918, ieder uit een andere verzameling en fraai opgesteld naast een serie bolvazen van Copier. Zo zijn alle zalen steeds keurig naar stroming of verwantschap ingericht: de Ouborgs bij de Wagemaker en de Nanninga's, een Cobra-kamer met een schitterende Jorn uit '58 en een verloren gewaande Appel, Eating Chicken uit 1962, en de jongste generatie ook netjes bijeen.

De 160 geëxposeerde beeldende-kunstwerken zijn afkomstig uit ruim 50 verschillende verzamelingen, meldt het persbericht. In de expositie blijkt dat nergens uit: bij elk stuk staat onveranderlijk `particuliere collectie', er hangt zelfs geen lijst met bruikleengevers. De wens om alles anoniem te houden lijkt vooral afkomstig van de conservatoren: diverse collectioneurs vertelden geen bezwaar te hebben tegen bekendmaking van hun namen.

Door deze dwang tot privacy is de naamsvermelding bij de bruiklenen van de kunsthandelaar Jan Nieuwenhuizen Segaar een nogal gênante uitzondering.

Waarom toch die geheimzinnigheid rond verzamelaars? Dat heeft nog een ander nadeel: gemiddeld zijn drie werken per geselecteerde verzameling gekozen, maar welke horen bij elkaar? Wat heeft de eigenaar van die mooie Jorn verder nog in huis, of de bezitter van die Van der Leck. Hebben zij uitsluitend kunst uit dezelfde periode, of kopen ze ook eigentijdse dingen? We komen het niet aan de weet.

De getoonde stukken zijn geperst in de ijzeren mal van de kunsthistorische ordening, een model dat privé-verzamelaars vaak juist niet hanteren. Bij hen is de kunst opgesteld zoals zij het mooi vinden, rijp en groen door elkaar, soms in rijen boven elkaar gehangen wegens ruimtegebrek. Het is jammer dat aan het Lange Voorhout niets van de samenhang te bespeuren is waarin deze kunstwerken thuis verkeren.

Het doet denken aan de opzet van de grote tentoonstelling Passions Privées in Parijs, waar in één zaal 14 Picabia's hingen, afkomstig uit 12 verschillende Franse particuliere verzamelingen. Mooi hoor, die 14 Picabia's, maar de bezoekers kwamen niet voor een Picabia-tentoonstelling.

Kennelijk weten moderne musea geen raad meer met het fenomeen privé-verzamelen. Ze hakken de intieme collecties in mootjes, hangen er kunsthistorische labels aan en vervormen ze tot één chronologische museale verzameling. Met heimwee denk je aan de zalen in het Metropolitan Museum in New York, waar collecties hun eigen zalen hebben, in de context die de samenstellers, de verzamelaars, ervoor bedacht hadden.

De enige hedendaagse `stijlkamer' in Den Haag is het Memphis-interieur van één echtpaar, compleet met bank, theetafel, tapijt, kamerscherm, lampen en klok van deze Italiaanse ontwerpers-groep. Het zou leuker zijn geweest als het paleis in elke kamer een selectie uit één collectie had laten zien. Wat geeft het dat er dan maar een stuk of tien aan bod kunnen komen? Maak er een traditie van, en toon elk jaar tien Haagse verzamelingen. Laat niet alleen zien wat, maar ook hoe er verzameld wordt. Dat heeft een voorbeeldfunctie voor prille kunstliefhebbers en kan het verzamelen stimuleren.

Tentoonstelling: Huiskamers? Schatkamers! Kunst van Vrienden in Museum Het paleis. T/m 4

februari in Paleis Lange Voorhout Den Haag. Op zaterdag 9 december worden van 11 tot 17u. in de foyer van de nabij gelegen Koninklijke Schouwburg korte lezingen en presentaties gegeven over verzamelen, o.a. door enkele collectioneurs (toegang gratis).