Geen aftrek, wel lagere rente

De Wet Inkomstenbelasting 2001 heeft ook gevolgen voor studenten. Een belangrijke verandering is dat de renteaftrek voor de studieschuld vervalt. De rente die betaald is in 2000 kan nog worden afgetrokken. In de volgende jaren is de rente niet meer aftrekbaar. Wel daalt het rentepercentage op studieschulden. Studenten betalen dus minder rente over een lening of schuld in de gewijzigde belastingwetgeving.

De totale waarde van de schuld kan worden afgetrokken van eventueel vermogen in box 3. Studiekosten, zoals kosten voor boeken of seminars, mogen worden opgeteld bij de zogeheten persoonsgebonden aftrek. Deze kosten kunnen van het belastbare inkomen in box 1 worden afgetrokken.

Studenten die studiefinanciering in de vorm van een gift krijgen, kunnen echter net als voor 2001 geen studiekosten aftrekken.

In het nieuwe belastingstelsel worden de oude belastingvrije sommen vervangen door heffingskortingen. Er geldt een algemene heffingskorting die voor 2001 maximaal 3.473 gulden per persoon is. De heffingskorting wordt van het te betalen belastingbedrag afgetrokken. Deze algemene heffingskorting kan niet worden overgedragen aan de meerverdienende partner. De Belastingdienst betaalt in plaats daarvan vanaf 1 januari 2001 de heffingskorting onder bepaalde voorwaarden uit aan de niet of weinig verdienende partner. Om als fiscale partners te worden gezien, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. De partners moeten in het belastingjaar minimaal zes maanden hebben samengewoond, gezamenlijk een huishouden voeren en beiden ingeschreven zijn op hetzelfde adres.

Jongeren die onvoldoende verdienen om de heffingskorting te gebruiken, krijgen geld terug als hun partner meer verdient dan zijzelf en hun partner voldoende belasting en premies betaalt. De partner moet minimaal tweemaal de algemene heffingskorting hebben betaald.

Bepaalde groepen hebben recht op een extra heffingskorting. Voor de meeste jongeren geldt alleen een arbeidskorting voor werkenden. Deze korting geldt voor iedereen die werkt, onder wie parttimers, en daarmee een inkomen verdient. De arbeidskorting bedraagt 1,751 procent van het inkomen uit box 1. Als de student meer dan 16.244 gulden verdient wordt de arbeidskorting verhoogd tot ruim 10 procent (maximaal 2.027 gulden). Inkomsten uit studiefinanciering zijn onbelast en hoeven niet opgegeven te worden.