Een rem op creativiteit

Met het belastingplan 2001 trekt het ministerie van Financiën zich een doorn uit het oog die daar al heel wat jaartjes zat. De nieuwe wet luidt namelijk het einde in van een aantal typisch Nederlandse beleggingsproducten. De financiële sector is altijd bijzonder creatief geweest in het verzinnen van producten die een zo laag mogelijke belastingdruk opleveren.

Die producten maken gebruik van het verschil in de manier waarop de fiscus inkomen uit rente, koerswinst en dividend belast. Op koerswinst heft de overheid geen belasting, op rente en op dividend wel. Voor beleggers is het dus, ceteris paribus, zaak om zoveel mogelijk inkomen uit koerswinst te behalen. Vandaar de bloei van de obligatie- en de rentegroeifondsen, die de ontvangen rente binnenboord hielden en als gevolg daarvan in waarde stegen. Onbelaste koerswinst voor beleggers derhalve.

De nieuwe belastingwet gaat aan die constructies een einde maken, zo is de verwachting en hoop op het ministerie van Financiën. In het nieuwe stelsel valt al het inkomen dat uit vermogen wordt verkregen in één box (box 3), en de belastingplichtige moet daarover één tarief betalen. Dat moet de overzichtelijkheid ten goede komen, en het populaire Nederlandse spelletje `aftrekpostje zoeken' zoveel mogelijk inperken.

Dat lijkt te lukken. Vooruitlopend op de nieuwe wet zijn al veel typisch Nederlandse beleggingsvehikels ten grave gedragen. De rente- en obligatiegroeifondsen zijn opgenomen in fondsen die de ontvangen rente gewoon aan de beleggers uitbetalen.

In het nieuwe belastingstelsel wordt al het vermogen van de belastingplichtige op één hoop gegooid. Aandelen, vakantiehuizen, obligaties, spaarrekeningen, deposito's, de fiscus rekent alles – met uitzondering van het eerste woonhuis – tot het vermogen. Het gemiddelde vermogen in een jaar is de basis voor de belastingheffing.

Die basis wordt in de kretologie van het nieuwe belastingstelsel de `rendementsgrondslag' genoemd. Van de rendementsgrondslag wordt vervolgens het `heffingsvrij vermogen' afgetrokken. Dit bedraagt in de `normale' gevallen 17.660 euro ofwel 38.785 gulden. Het saldo van rendementsgrondslag en heffingsvrij vermogen is het bedrag waarover belasting wordt geheven. Die belasting heeft overigens de prozaïsche titel `vermogensrendementsheffing' meegekregen.

In het nieuwe stelsel maakt het voor de belastingdienst niet uit wat de belegger met zijn vermogen doet. Alles wordt forfaitair (met een vast percentage) belast: de fiscus gaat er vanuit dat iedereen hetzelfde rendement haalt. Dat fictieve rendement is 4 procent, en de vermogensrendementsheffing bedraagt 30 procent. Per saldo is de belastingbetaler jaarlijks dus 1,2 procent van zijn gemiddelde vermogen, verminderd met het heffingsvrije vermogen, kwijt aan belastingen.

Het nieuwe stelsel zal zeker gevolgen hebben voor de manier waarop Nederlanders hun geld beleggen. Michel van der Stee van Van Lanschot Bankiers: ,,Tot nu toe leken sommige beleggers er meer plezier in te scheppen om de fiscus belasting te onthouden dan om een mooi rendement te behalen. Liever 2 procent waarvan de belastingdienst niets krijgt dan 15 procent waarvan de helft naar de fiscus gaat. Met de nieuwe belastingwet worden beleggers veel beter gestimuleerd om een zo hoog mogelijk rendement te halen.''