Vluchten in het ritme van de flamenco

Vengo is een hartverscheurend mooie film over de door Zuid-Spaanse zigeuners gezongen en gespeelde flamenco. De flamenco zingt over gevoelens van wanhoop en ontheemding, over liefde die het hart uiteenrijt, trouw en strijd. Dat zijn genoeg emoties om meerdere speelfilms mee te vullen, maar uitgerold tot de verhaallijn van de meest recente film van de in Algerije geboren zigeuner Tony Gatlif (Gadjo dilo) doet het allemaal wat magertjes aan. Niets clichématigers dan twee rivaliserende zigeunerfamilies die met elkaar in een bloederige vendetta verwikkeld zijn.

De ontroering van Vengo ligt dan ook niet in het verhaal van vader Caco die nog steeds om zijn gestorven dochter rouwt en als remedie tegen het verdriet samen met zijn neefje Diego de ene Andalusische flamencobar na de andere bezoekt. Vengo laat je als toeschouwer vooral voelen hoe aanlokkelijk het kan zijn om je gevoelens in muziek te verdrinken. Gevoelens die op spaarzame akkoorden en uitgeschreeuwde zanglijnen golven worden die je op hun beurt weer overspoelen en zo begint alles weer van voren af aan. Vengo gaat over het destructieve verlangen om te vluchten.

Gatlif bracht daarvoor een uiteenlopend gezelschap van muzikanten, zangers en dansers bijeen. In de openingsbeelden laat hij een muzikaal duel uitvechten door zigeuners uit Oost-Europa, Spanje en Noord-Afrika. Trommels roffelen tegen de maat, violen spelen tegen de toon. Op zulke momenten leunt Vengo dicht tegen een documentaire aan. De gezongen gevoelens van de zangers laten zich trouwens ook slecht spelen. De flamenco kan alleen gezongen en begrepen worden door hem ook echt te voelen.

Vengo. Regie: Tony Gatlif.

Met: Antonio Canales, Orestes Villason Rodriguez. In: 7 theaters.