Vijlen en schrappen

Gisterenavond is in het Diaconessenhuis te Leiden Frits Bernard Hotz overleden. Toen ik hem vorig jaar in februari bezocht, was hij nog goed gezond, maar wel vrijwel helemaal blind. Na de dood van zijn vriendin Hennie Dijkstra op 21 maart vorig jaar is ook zijn eigen toestand gaandeweg verslechterd. Hij kwam niet meer van zijn kamer af en heeft uiteindelijk maanden lang, steeds zwakker wordend, in bed gelegen. Omdat zijn 82 jaar oude zuster niet in staat was hem in bed overeind te helpen als hij een kop thee wilde drinken, drong de huisarts erop aan dat hij naar een verpleeghuis zou gaan. Voor Frits, zijn zuster en zijn zoon was dit een enorm schrikbeeld. Uiteindelijk is het verpleeghuis hem bespaard gebleven en mocht hij, mede dankzij de bemiddeling van Eva Biesheuvel, tot zijn overlijden in het Diaconessenhuis verblijven. Twee weken geleden heeft hij nog tijdens één van die oplevingen die hem af en toe gegund werden, met veel genoegen enkele jazz-nummers beluisterd, maar nu is hij dan, op de sterfdag van Mozart, rustig overleden.

Vrij spoedig na de opzienbarende verschijning van Dood weermiddel in 1976 hebben Frits en ik elkaar leren kennen. Frits was een buitengewoon bescheiden mens. Toen ik hem pas kende, hield hij altijd als ik hem bezocht in Oegstgeest, waar hij bij zijn zuster in huis twee kamers bewoonde, een grote witte zakdoek voor zijn gezicht. Zijn toch al zachte stem klonk daar gesmoord achter vandaan. Gelukkig verloor hij gaandeweg zijn bedeesdheid. Bezocht ik hem, dan werd de witte zakdoek nog wel in de hand, maar zelden voor de mond gehouden.

Op zijn werktafel lag altijd een schoolschrift. Daarin werkte hij stug door aan zijn verhalen. Voor hem was schrijven een vorm van vijlen en schrappen. Steeds gewapend met een vergrootglas was hij voortdurend in eigen werk op zoek naar woorden en zinnen die hij wegstrepen kon. Vorig jaar zei hij tegen mij: ,,Ze zeggen dat ik nu ik blind ben nog best een verhaal kan dicteren. Maar hoe zou ik dan naderhand moeten schrappen?''

Ondanks zijn bedeesdheid was hij in sommige opzichten heel eigengereid. Vaak kreeg ik een uitgetypt verhaal mee naar huis. Als ik dan de volgende keer met op- en aanmerkingen kwam, verzette hij zich hevig. Zelden heeft hij mijn adviezen opgevolgd. Misschien maar goed ook. In feite wist hij precies wat hij wilde. Alleen ten aanzien van zijn korte roman De vertekening, die in 1991 verscheen, was hij heel onzeker. Daarvan heeft hij wel tien versies vervaardigd. Elke volgende versie vond ik minder dan de vorige. Hij was dat wel met mij eens, maar hij had andere dan literaire redenen om uiteindelijk toch de laatste versie te publiceren.

In de Nederlandse literatuur hield hij 't meest van Van Oudshoorn en Elsschot. Van Ter Braak en Du Perron en Vestdijk moest hij niets hebben. Hij was een uitgesproken jazz-liefhebber, maar er was ook veel jazz-muziek waar hij op spuugde. De trombonist Bix Beiderbecke was zijn grote held.

Zijn kleine oeuvre, krap 1400 pagina's in de fraaie uitgave van Het werk uit 1997, zo terecht bekroond met de P.C. Hooftprijs 1998, is zeer gelijk van kwaliteit. En die kwaliteit is heel hoog. Het is wonderlijk dat hij pas, na een opmerkelijke en, in sommige opzichten veel bewogen carrière als jazz-musicus (hij speelde trombone), op latere leeftijd ertoe kwam om te publiceren. Ik zeg met opzet publiceren, want hij vertelde mij vaak dat hij al heel lang voor zijn debuut in 1976 met schrijven was begonnen. Voor mij blijft zijn allereerste verhaal, Dood weermiddel, ook zijn allerbeste verhaal. Daarin heeft hij zich het meest durven blootgeven, juist omdat het hier om een historische roman in een notendop ging.

Hij leek soms heel tobberig, maar hij kon ook heel geestig zijn. Hij was, anders dan zoveel andere schrijvers, totaal niet ijdel. Ik vind het een groot voorrecht dat ik hem zo goed heb mogen leren kennen.