Duitsland jaagt Fransen nodeloos op de kast

De goochelarij met getallen die voor de EU-top van Nice uit wordt beoefend, mag er niet toe leiden dat Europese landen zich er weer op gaan richten elkaar de loef af te steken, vindt Wolf Lepenies.

Henry Kissinger, de Amerikaan met het Duitse accent, voorspelde in 1989 dat Frankrijk het voornaamste slachtoffer zou worden van de val van de Muur. Wellicht zal de top in Nice hem gelijk geven in zijn leedvermaak: Frankrijk zal zijn politieke leidersrol in Europa definitief afstaan aan een groter Duitsland. De tijd van de `incertitudes allemandes' is voorbij. Het staat buiten kijf dat toekomstige Duitse regeringen niet minder zelfbewust zullen optreden dan de sociaal-democratische bondskanselier en zijn groene minister van Buitenlandse Zaken thans doen. Hun zelfverzekerde taal zal de Fransen misschien doen denken aan de burgerman die zijn zoon voorhield: ,,Hard praten, wij zijn rijk!''

Duitslands rijkdom zijn de Duitsers: 82 miljoen, tegen 60 miljoen Britten, 59 miljoen Fransen en 58 miljoen Italianen. Het is niet de immigratie, noch de natuurlijke bevolkingsgroei geweest die Duitsland tot het volkrijkste land van Europa heeft gemaakt, maar het gelukkige toeval van de vereniging. In de toekomstige Europese Raad van Ministers zal dat gewicht vruchten moeten afwerpen: de Bondsrepubliek eist daarin de eerste plaats op, en meer stemmen dan Frankrijk. De demografische factor wordt als argument gehanteerd om een nieuwe krachtsverhouding tussen de landen van Europa te realiseren. Mét de Duits-Franse symmetrie dreigt echter een stabiliserend element in de Europese naoorlogse politiek verloren te gaan.

De Franse presidenten hebben jegens Duitse kanseliers steeds grootse en genereuze gebaren weten te maken. Zij konden daarmee niet verhelen dat Frankrijks Europese leidersrol zwakker en zwakker werd. Sinds 1989, en niet meer 1789, als het wonderjaar van de Europese geschiedenis geldt, en het geopolitieke zwaartepunt van dit continent naar het oosten is opgeschoven, worden de denkbeelden die het proces van de Europese eenwording bepalen, steeds minder vaak in het Frans geformuleerd. Om nu de daaruit voortvloeiende onzekerheid in Parijs uitgerekend door een beroep op demografische feiten in paniek te doen omslaan, is niet slim. De herinnering aan Friedrich Meinecke dringt zich op, die eens heeft gezegd dat Duitsland ,,alleen al door de omvang van zijn bevolking'' een ,,wereldvolk'' geworden is. Door een beroep te doen op de demografie, laat de Duitse politiek ook de scrupules van de naoorlogse periode varen; nog lang na 1945 kon in Duitsland immers van bevolkingswetenschap of bevolkingspolitiek geen sprake zijn.

Sinds de Eerste Wereldoorlog leeft Frankrijk in de vrees, de `getallenstrijd' tegen Duitsland te zullen verliezen. In 1814 telde Frankrijk 20 miljoen inwoners; het was toen het volkrijkste land van Europa. In 1914 was het, met 38 miljoen inwoners, tot de vierde plaats teruggevallen, achter Duitsland, Engeland en Italië. Daaruit concludeerde Drieu La Rochelle in zijn in 1922 gepubliceerde Mesure de la France dat Frankrijk uit alle macht moest werken aan de eenwording van Europa, daar anders de expansiedrang van de talrijkere Duitsers niet te stoppen zou zijn. Dit boek van Drieu, deze `Latijnse fascist', die later met de Duitsers zou collaboreren, vond niet alleen bij rechts veel weerklank. Er kwam een fel debat op gang, waarin de aftakeling van de Franse cultuur en de stuurloosheid van de Franse politiek werden verklaard uit scepsis ten aanzien van de toekomst, met de slinkende bevolking als duidelijkste alarmsignaal. In 1964 werd Mesure de la France herdrukt.

Als de Duitse politici op basis van bevolkingscijfers de krachtsverhoudingen tussen de landen van Europa willen vastleggen, werken zij roekeloos de groeiende onzekerheid van de Fransen in de hand. Jacques Chirac heeft er met recht op gewezen hoeveel belang Adenauer en de Gaulle hechtten aan het evenwicht tussen Duitsland en Frankrijk, dat de grondslag vormde van de Europese eenwording. Zolang in de Europese Unie eenstemmigheid een absoluut vereiste was voor gezamenlijk politiek optreden, loonde het voor de Duitsers om aan de bijzondere onderlinge betrekking met Frankrijk vast te houden. Nu in een grotere Unie besluiten bij meerderheid van stemmen de koers gaan bepalen, zien de Duitsers daartoe geen reden meer.

Hebben de Duitsers – met een Raad van Ministers in het vooruitzicht waarin coalities van vele partners, niet selecte banden met weinigen, de doorslag zullen geven – de speciale band met Frankrijk allang afgeschreven? De Fransen zullen het af en toe wel denken. Dan zou Fischer, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, die Stresemann als een van zijn meest geslaagde voorgangers ziet, deze ook hebben geëvenaard in zijn listige streken, waarover de Franse minister Briand en anderen zich indertijd beklaagden.

Zowel de kanselier als zijn minister van Buitenlandse Zaken benadrukt dat het bij de door hen geëiste incalculatie van demografische factoren niet in de eerste plaats gaat om machtsposities. Het gaat om het principe. Dit zal menig Europeaan een andere stelregel in herinnering roepen, namelijk dat het typisch Duits is om alles omwille van de zaak zelve te doen. Maar los van de voorgespiegelde onbaatzuchtigheid zouden de Duitsers zelfverzekerdheid en fijngevoeligheid kunnen laten blijken door uit hun groter inwonertal geen aanspraak op groter politiek gewicht af te leiden.

Niet minder belangrijk zou het zijn als in Nice kon worden vastgehouden aan een kwaliteit waardoor het politieke milieu van de Europese Unie zich tot dusverre heeft onderscheiden: het respect voor de `kleine' landen. Als tegenwicht tegen aanmatigend politiek gedrag zijn zij onontbeerlijk. Max Weber heeft tijdens de Eerste Wereldoorlog met nadruk gewezen op de ,,historische verantwoordelijkheid'' die op de in machtsstaten georganiseerde volkeren van Europa – waaronder de Duitsers – rustte. Gemeenschappen die grotendeels afzagen van het gebruik van macht tegen andere mogendheden – Weber noemde Zwitserland, Denemarken, Nederland en Noorwegen – konden zich de luxe van neutraliteit, pacifisme en ethiek permitteren. Machtsstaten daarentegen moesten de ,,tragiek van historische verplichtingen'' op zich nemen.

Thans hebben wij alle reden om dit `Macht-Pragma', zoals Max Weber het noemde, te wantrouwen. Juist de kleine landen zullen daarbij weer een grote rol spelen, al was het maar omdat zij in staat zijn tot politieke ironie, die de groten als regel niet kunnen opbrengen. En wat heet trouwens groot of klein? Toen de Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker onlangs op een bijeenkomst met Gerhard Schröder en Joschka Fischer naar zijn mening werd gevraagd over de rol van de kleine landen in de Europese Unie, zei hij dat hij daarover niet kon oordelen. Hij kwam immers uit een groothertogdom.

In onze tijd wint in de politiek – in de VS niet minder dan in Europa – de rekenkunde weer aan betekenis. De politieke rekenkunde is ontstaan in de zeventiende eeuw, toen het er in de Europese politiek, zoals iemand het in die tijd eens uitdrukte, enkel nog om ging ,,hoe de een de ander de loef kon afsteken en onderwerpen, en niet door vruchtbaarder prestaties, maar door de ander te vertrappen voordeel behaalt''. Nauwkeurige aantallen en statistieken moesten daar een einde aan maken en weer tot een ,,eerlijke, onschadelijke politiek'' leiden. Het valt te hopen dat de getallengoochelarij voor Nice geen terugval inhoudt in een Europese politiek waarbij het er opnieuw om gaat hoe het ene land het andere de loef kan afsteken.

Wolf Lepenies is medewerker van de Süddeutsche Zeitung.