Begrip kweken voor het urinoir

Ruim een eeuw geleden werd de Franse beeldhouwer Auguste Rodin ervan beschuldigd de mal voor Lâge d'Airain (1875-76), een gipsen beeld van een levensgrote naakte man, te hebben gevormd op het lichaam van zijn model. De anatomie van het lichaam zag er zo waarheidsgetrouw uit dat critici niet konden geloven dat de kunstenaar het met eigen handen geboetseerd had. Tegenwoordig zou een dergelijke beschuldiging kortzichtig gevonden worden. Wij weten dat sinds Marcel Duchamp in 1917 een doodgewoon urinoir tentoonstelde, alle voorwerpen die op een sokkel in het museum staan als kunst worden opgevat. Maar in de 19de eeuw was technische vaardigheid nog een essentieel kwaliteitscriterium.

Lâge d'Airain is het enige beeld op de tentoonstelling Kijk. 100 jaar hedendaagse kunst dat niet in de 20ste eeuw gemaakt is. Toch lijkt het zich uitstekend thuis te voelen tussen zijn modernere soortgenoten, zoals het wassenbeeld van een afgestroopte Maria (Virgin Mary uit 1992 van Kiki Smith) of de hangende ledenpop van Louise Bourgeois uit 1996. En dat is precies de bedoeling, want de ondertitel geeft al aan dat achter deze tentoonstelling het idee schuilt dat de beste kunst ook na honderd jaar nog hedendaags kan zijn.

In de entreehal van het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel staat Rodins beeld opgesteld naast een werk van Didier Vermeiren uit 1984: een gipsen sokkel waarop de mal van diezelfde sokkel gepresenteerd wordt. Toevallig (of niet) is dat Vermeirens beeld een afgietsel is van het voetstuk van een van Rodins sculpturen. Terwijl Rodin zich nog moest verweren tegen het `bedrog' dat hij zou hebben gepleegd, loopt Vermeiren ermee te koop dat zijn kunstwerk een replica is. Een betere illustratie van de veranderde kunstopvatting is nauwelijks denkbaar.

De tentoonstelling Kijk, samengesteld door de Belgische criticus Thierry de Duve, is een dappere poging de kunst van de 20ste eeuw begrijpelijk te maken voor een breed publiek. In de tijd van Rodin werden de Parijse Salons, tentoonstellingen met eigentijdse kunst, door een miljoenenpubliek bezocht, zo lezen we in de boeiende catalogus. Maar sinds de intrede van het modernisme heeft het grote publiek steeds meer het gevoel gekregen buitenstaander te zijn. De meeste mensen begrijpen weinig van al die monochrome kleurvlakken en hermetische kubussen die slechts naar zichzelf verwijzen. ,,Kijk neemt de handschoen op en wil de kunst van de twintigste eeuw aan ieder afzonderlijk teruggeven'', schrijft De Duve. ,,Kijk is geen overzichtstentoonstelling, het is een overbrengingstentoonstelling.''

Dat overbrengen gebeurt in drie etappes. In deel 1, getiteld `Dit ben ik', stellen de kunstwerken zich voor aan het publiek. Hierbij ligt de nadruk op de presentatie van kunstwerken, en op de manier waarop kunstenaars de sokkel, de lijst, of zelfs de hele context van het museum in hun werk betrekken. Te zien is bijvoorbeeld de Base Magica (1961) van Piero Manzoni, een voetstuk dat van iedereen die erop klimt een kunstwerk maakt. Maar ook het stenen ei van Brancusi, het fietswiel van Duchamp en de zwevende basketbal van Jeff Koons verwelkomen de bezoekers in de eerste zalen.

In `Daar ben je', het tweede hoofdstuk van de tentoonstelling, zijn kunstwerken samengebracht die de toeschouwer direct aanspreken. Hier word je vooral geconfronteerd met je eigen beeltenis, in de spiegelwerken van Gerhard Richter, Michelangelo Pistoletto en Dan Graham. In het imposante videowerk Viewer (1996) van Gary Hill word je aangestaard door een groep van zeventien mannen in arbeiderskleding. Bezoekers en kunstwerk staan bewegingloos, als bendeleden, tegenover elkaar in het donker. Maar wie kijkt nu eigenlijk naar wie?

De tentoonstelling besluit met het hoofdstuk `Hier zijn wij', over maatschappelijke onderwerpen als oorlog, werk en familie – thema's die door de kunst van het modernisme aan de kant geschoven waren. De moeite waard is vooral de zaal met tekeningen van Joseph Beuys, Andy Warhol en Rodin. Naast elkaar gehangen vallen plotseling de stilistische overeenkomsten op tussen de bewegingsstudies van Rodin en Beuys en de erotische tekeningen van Warhol.

Kijk brengt de moderne kunst opnieuw aan de man. Niet door het in chronologische volgorde oplepelen van hoogtepunten uit de kunstgeschiedenis, maar door het thematisch verbinden van zo'n tweehonderd bekende en minder bekende kunstwerken. De gangbare visie dat de kunstgeschiedenis een opeenvolging van stromingen is, wordt op deze tentoonstelling overboord gezet. In plaats daarvan laat Thierry de Duve zien dat kunstenaars uit alle windstreken zich de afgelopen eeuw met vergelijkbare vraagstukken hebben beziggehouden. Hij doet dat met zo'n heldere en frisse blik dat zelfs de doorgewinterde kunstkenner zal vallen voor de opmerkelijke combinaties die de kunsthistoricus heeft gemaakt.

De indeling in drie episodes mag misschien wat belerend overkomen, het is wel een aanpak die werkt. Het is opvallend druk in het museum en veel bezoekers – met de audiotour op hun hoofd – kijken aandachtig naar de stalen blokken van Donald Judd en de witte doekjes van Robert Ryman. Het is alsof ze nu pas voor het eerst beseffen waarom Yves Klein zijn schilderijen onderdompelde in blauw pigment. En eindelijk heeft iemand hen eens in begrijpelijke taal kunnen uitleggen waarom Marcel Duchamp met zijn urinoir tot de belangrijkste kunstenaars van de 20ste eeuw wordt gerekend.

Tentoonstelling: Kijk. 100 jaar hedendaagse kunst. In het Paleis voor Schone Kunsten, Ravensteinstraat 23, Brussel. T/m 28 jan. Dagelijks 10-18u, vrij 10-21u. Catalogus BF 1495.