Zeggenschap ouders over kinderopvang

De Tweede Kamer stemt er mee in dat ouders meer te zeggen krijgen over de kinderopvang. Ze zullen niet langer afhankelijk zijn van het aanbod van gemeente of werkgever maar ze zullen met de subsidie ook elders een plaats voor hun kind kunnen kopen.

Ook gaat de Kamer er mee akkoord dat er landelijk geldende kwaliteitseisen komen voor de kinderopvang. De GGD moet op de naleving ervan gaan toezien.

Dit bleek gisteren tijdens het debat in de Tweede Kamer met staatssecretaris Vliegenthart (Welzijn) en Bos (Financiën) over de hoofdlijnen voor een nieuwe wet voor de kinderopvang.

Het is de bedoeling dat behalve de opvang van 0- tot 4-jarigen ook peuterspeelzalen en de tussen- en buitenschoolse opvang in de wet worden geregeld. Staatssecretaris Vliegenthart verwacht dat zij voor de komende herfst het wetsvoorstel bij het parlement kan indienen.

De kosten van de kinderopvang worden min of meer gelijkelijk verdeeld over de ouders, werkgevers en overheid. De hoogte van de overheidssubsidie aan de ouders wordt bepaald door hun inkomen. Een aanzienlijk deel van de Kamer wil dat staatssecretaris Bos onderzoekt of het mogelijk is om de subsidie te vervangen door compensatie via de belasting. Hij zegde toe dit te zullen onderzoeken bij de komende herziening van het belastingstelsel.

In de nieuwe opzet krijgen de instellingen voor kinderopvang zelf geen subsidie meer. Voor hun inkomsten worden deze instellingen volledig afhankelijk van de ouders en hun eventuele werkgevers. Ze moeten kostendekkende tarieven gaan berekenen.

In 2002 moet in 90 procent van de CAO's het recht op kinderopvang zijn geregeld. Kamer en kabinet willen niet zover gaan dat werkgevers worden verplicht een bijdrage in de kosten te leveren. Volgens Vliegenthart en Bos is dit ook niet nodig, omdat kinderopvang een belangrijke secundaire arbeidsvoorwaarde is geworden.

In de nieuwe opzet moet de gemeente, nu nog een belangrijke subsidiegever, een stapje terug doen. Zij krijgt een stimulerende en coördinerende rol, maar is niet langer zelf verantwoordelijk voor het opzetten van crèches.

In de afgelopen tien jaar is het aantal opvangplaatsen verveelvoudigd. Vorig jaar telde de formele kinderopvang 116.000 plaatsen waarvan 37.000 voor de buitenschoolse opvang, 13.000 plaatsen meer dan in 1998. Bijna de helft ervan (53.500) zijn bedrijfsplaatsen en een kwart (28.500) gesubsidieerde plaatsen. Eind 2002 moeten er 170.000 plaatsen in de reguliere opvang beschikbaar zijn.

Op de wachtlijsten staan 31.000 kinderen, waarschijnlijk zijn het er minder omdat veel kinderen op meerdere lijsten staan.

De 3.250 instellingen, met ruim 33.000 werknemers, haalden vorig jaar een omzet van 1,8 miljard gulden.