Sluit sloop Rijksmuseum niet uit

Het huidige gebouw van het Rijksmuseum is een obstakel voor een gezonde planontwikkeling en voor de al zo lang gewenste entree naar Amsterdam-Zuid, vindt Hans van Olphen.

De verbinding van het centrum van de stad Amsterdam naar de uitbreidingen in Zuid heeft altijd parten gespeeld bij het ontstaan en gebruik van het Rijksmuseum. In het plan van uitbreiding van Van Niftrik uit 1867 was het bouwen van het museum voorzien naast de directe verbinding van de Spiegelgracht naar een nieuw te bouwen villapark op het huidige Museumplein. In het 10 jaar daarna ontworpen stedenbouwkundig plan van Kalff was voor het eerst sprake van een overbouwing van deze verbindingsroute. Wel werd bij de toenmalige meervoudige opdracht aan drie architecten door de gemeente Amsterdam bedongen dat het nieuwe museum een groots entree moest bieden naar het toekomstige Amsterdam-Zuid.

In het uitgevoerde plan van Cuypers bleek van het beoogde poortgebouw nauwelijks meer over te zijn dan een gebouw met een beperkte doorgang waarvanuit voetgangers enige blikken gegund werden op binnenplaatsen van het museum met namaak beelden. Van een duidelijke verbinding van de binnenstad met Zuid was amper meer sprake. In die tijd stond toch reeds veertig jaar in Parijs de Arc de Triomph, meer gat dan gebouw. Daaruit kon toch wel worden afgeleid dat meer gebouw dan gat, zo kenmerkend voor het ontwerp van Cuypers, nooit de als voorwaarde gestelde poortfunctie zou kunnen vervullen. Daarmee werd visueel de binnenstad in deze richting definitief afgesloten.

Dezelfde Cuypers bouwde in 1889 aan de andere zijde van de stad het Centraal Station, eveneens een definitieve afsluiting van Amsterdam, deze keer naar het IJ. Tot op heden plukt de stad nog steeds de wrange vruchten van deze miskleun, alle IJ-oever projecten ten spijt. Alleen op de kaart is zichtbaar dat Amsterdam aan open water ligt, nergens is dit vertaald in boulevards met hotels en terrassen, zo kenmerkend voor 19e eeuwse ontwikkelingen in andere vergelijkbare Europese steden. Ook deze kans werd daarmee definitief uitgebannen.

In het onlangs gepubliceerde Masterplan Ruijssenaars Rijksmuseum wordt de huidige onderdoorgang ingericht als centrale foyer met rechtstreeks toegang tot auditorium, restaurant, winkel, kassa's, garderobe en toiletten. Het is in het midden gelaten in hoeverre deze ruimte nog openbaar is, en het is niet ondenkbaar dat Cuypers in zijn graf een glimlach niet zal kunnen onderdrukken, aangezien hij zelf als consequentie van de onderdoorgang twee entree's moest bouwen die per definitie nooit tot een heldere plattegrond hebben geleid.

Hoe aantrekkelijk de foyer dus ook is voor de organisatie binnen het gebouw, deze ontwikkeling staat lijnrecht tegenover de zo noodzakelijke verbinding naar Zuid. Het onlangs gereed gekomen Museumplein zal ook enorm winnen als deze centraal in de stad gelegen publieksruimte, geflankeerd met alle denkbare cultuurtempels, meer in relatie zou kunnen worden gebracht met de oude stad en daardoor meer kan gaan betekenen als verbindingsruimte naar de zuidelijke stadsdelen. Juist op dit moment en op deze plek kan hierin worden voorzien. Respect voor het verleden beperkt zich immers niet alleen tot historische bebouwing, stedenbouwkundige restauraties zijn ook noodzakelijk.

De veelvuldig aangehaalde buitenlandse voorbeelden van hedendaagse museumbouw zijn meer dan alleen maar aanpassingen van bestaande complexen. Zo is de nieuwe entree van het Louvre gesitueerd op de as waarvan de ook reeds gememoreerde Arc de Triomph deel uitmaakt. Het plein waarin deze glazen entree zich bevindt is van alle kanten uit bereikbaar, zelfs het doorgaande verkeer van en naar de Seine wordt niet geschuwd. Stilte en lawaai wisselen elkaar af, we zijn immers midden in de stad. Het stedelijk knooppunt zet zich voort in de ondergrondse entreehal van het Louvre en daarin pas bevinden zich de benodigde toegangsfuncties. Het plein is onaangetast, blokkade van de openbare ruimte is vermeden.

In navrante tegenstelling hiermee heeft in ons land een Japanse architect het gepresteerd de uitbreiding van het Van Gogh Museum met de kont naar het Museumplein te keren. Een dergelijke ontkenning van het plein is een gemiste kans, terug te voeren tot stedenbouwkundige nonchalance en overschatting van architectuur. Het lijkt wel alsof architecten de zo geroemde buitenlandse musea louter als toerist bezoeken en hiervan niets leren.

De huidige Rijksbouwmeester Coenen heeft zijn sporen verdiend op het gebied van projecten die zich kenmerken door een integrale aanpak van architectuur en stedenbouw. Het door hem ontworpen plan op het voormalige Céramiqueterrein in Maastricht, waar ook het Bonnefantenmuseum een plaats heeft gekregen, is hiervan een goed voorbeeld. Het beste plan dat in Amsterdam in de twintigste eeuw is gerealiseerd, het plan Zuid van Berlage, werd eveneens door deze aanpak gekenmerkt. Ik denk dat niemand meer weet waar en op welk moment welke architect hier heeft gebouwd, voorop stond het ontwikkelen van een stadsdeel waarin de openbare ruimte met grote afwisseling van straten, lanen en pleinen voorrang had op de individuele architectuur. Het stedenbouwkundig plan was de leidraad voor architecten.

Het zijn juist deze overwegingen die tot op heden geen rol hebben gespeeld bij de discussie rondom het Rijksmuseum. Iedereen die hier iets over heeft gezegd, beperkte zich tot het gebouw zelf of, zoals voormalig Rijksbouwmeester Dijkstra nog vorige week in deze krant bepleitte, de rol die een bevriende architect mogelijk nog zal kunnen gaan spelen tijdens de meervoudige opdracht. In de discussie bleef de essentie van de problematiek onbesproken. En toch moet vandaaruit de primaire inspiratie komen.

Het zal duidelijk zijn dat het huidige gebouw een obstakel vormt om tot gezonde planontwikkeling te komen. Het oorspronkelijke stedenbouwkundige uitgangspunt, de verbinding van en naar het Museumplein, heeft Cuypers onvoldoende vorm gegeven. Zijn kolos rijmt immers op geen enkele wijze met de aan het eind van de 19e eeuw uitgesproken nadrukkelijke wens van de stad Amsterdam een grootse entree te bieden naar de toekomstige wijk daarachter: Amsterdam-Zuid. De steeds voortschrijdende groei in zuidelijke richting bevestigt ook in onze tijd dat de stad Amsterdam toen reeds blijk gaf van een vooruitstrevende visie. Zonder deze route aandacht te geven, beperkt elk voorstel tot restauratie van het gebouw zich tot een incident.

De relatie van het nieuwe Rijksmuseum met de opnieuw te ontwerpen royale doorgaande route voor voetgangers en fietsers, samen met de kans die het nieuwe Museumplein thans biedt, dwingen tot een ontwerp waarbij geheel of gedeeltelijke sloop van het huidige complex niet uit de weg moet worden gegaan. Het Rijksmuseum krijgt daarmee een herkansing en kan pas dan als 21e eeuws museum alle reeds gerealiseerde hedendaagse musea overtreffen. Als ooit sprake is geweest van een fantastische start voor de nieuwe Rijksbouwmeester, dan is het wel hier en nu.

Hans van Olphen is zelfstandig architect en stedenbouwkundige en onder meer werkzaam als coördinerend architect voor diverse gemeenten.

    • Hans van Olphen