Sinterklaasavond

Het zal tussen mijn vierde en achtste jaar zijn geweest dat ik aan de feestelijke etalages van de banketbakkers en de witte gedekte tafels vol zoetigheid in hun winkels kon zien dat het gauw Sinterklaas zou zijn. In het vooruitzicht van dit festijn verkeerde ik in een voortdurende staat van opwinding, die het midden hield tussen hoop en vrees in afwachting van deze opwindende figuur.

Zodra het donker werd, hoorde ik vreemde geluiden op zolder en in de dakgoot, en als ik de moed had om door een kier van de gordijnen naar buiten te kijken, zag ik nog net een rood-met-gouden gedaante op een wit paard over de daken in de verte verdwijnen. Soms dacht ik hem zelfs met een reusachtige luchtsprong de straat te zien oversteken, en een enkele keer was er het wonder van het speculaasje of suikerbeestje dat niet door de kachelpijp in de asla terechtkwam, maar precies in mijn schoen.

Dit alles wees erop dat we heel gauw Sinterklaas bij oom Jan en tante Cor zouden vieren en ik tussen mijn ouders in naar het huis aan de Noordsingel zou lopen, waar we met grootmoeder en de twee tantes op alle hoogtijdagen van december bijeenkwamen. Omgeven door de geur van chocolademelk in een pan op de haard, zaten we – mijn even oude nichtje Annie en ik naast elkaar – om de tafel, waarop de boterletter en de glimmende borstplaatjes van Pell evenmin ontbraken als de speculaasjes met het laagje poedersuiker. Met mijn andere nichtje aan de piano zongen we in koor de bekende sinterklaasliedjes, en we merkten nauwelijks dat mijn vader omzichtig opstond met de woorden dat hij even weg moest. Helaas miste hij zodoende het grote ogenblik dat er enige keren werd gebeld, waardoor ons gezang plotseling werd afgebroken en tante Cor zich met de uitroep ,,Wie kan dát nu zijn?'' naar de gang spoedde. In de gespannen stilte die volgde luisterden Annie en ik roerloos naar het dichtslaan van de buitendeur en de voetstappen op de trap, die langzaam dichterbij kwamen. Hoewel we wisten wie het zou zijn, stond hij toch als bij toverslag op de drempel – helemaal in rood en goud, de staf in zijn witgehandschoende hand, met een flonkerende ring aan zijn vinger en een groot, dik boek met een verguld kruis op de kaft onder zijn arm.

Dit onvergetelijke bezoek van de legendarische figuur uit Spanje op 5 december zou zeker nog enige jaren zijn herhaald als er niet die afschuwelijke gebeurtenis op die ene sinterklaasavond tussen was gekomen. Door zijn werk ontbrak mijn vader voor het eerst in de familiekring en wachtten we tevergeefs op de bel en de voetstappen op de trap. In plaats daarvan werd er zo hard op de kamerdeur gebonsd dat Annie en ik elkaar dodelijk geschrokken aankeken en onbeweeglijk naar een barse stem luisterden, die dreigend vanuit de gang riep: ,,Zijn hier nog stoute kinderen?''

Ondanks het geruststellende antwoord van tante Cor: ,,Nee hoor, Sinterklaas, kom maar binnen'', liep er een rilling over mijn rug en voelde ik hoe Annie naast mij verstijfde. Want er stond geen betoverende verschijning in rood en goud op de drempel, maar een gedrocht in een paarse pelerine over een soort nachtjapon, met enge zwarte handschoenen aan en een hoge zwarte muts op het hoofd. Het afschrikwekkendste was echter dat hij geen gezicht had maar een roze mombakkes, waarin een paar zwarte gaten de ogen moesten voorstellen, en bovendien met een lange stok manoeuvreerde alsof hij ons er een pak slaag mee wilde geven.

We gaven dan ook schoorvoetend gehoor aan zijn verzoek hem het gebruikelijke handje te geven en een liedje voor hem te zingen, wat we met een brok in onze keel deden en wat bij Annie's zusje een onderdrukt gegiechel teweegbracht. Nadat hij ons vermanend had toegesproken en ons uit dezelfde jutezak van vorig jaar de onveranderlijke chocoladeletter en het saffraankleurige suikerbeest had overhandigd, verdween de valse plaatsvervanger van onze echte Sinterklaas en liet ons hevig teleurgesteld en bedroefd achter.

Later hebben Annie en ik het er nog dikwijls over gehad dat we het tante Toos (want zij was het geweest) eigenlijk nooit hebben vergeven, omdat ze ons voorgoed, en veel te vroeg, de illusie van het wonder had ontnomen.