Opbrengst `plukken' criminelen valt tegen

Doordat criminelen te veel mogelijkheden hebben zich te verweren, valt de opbrengst van de `plukze-wetgeving tegen. Minister Korthals heeft daarom aangekondigd de wet te willen aanscherpen.

Ze verschijnen geregeld in de krant, de foto's van fraaie sportwagens en plezierboten die de politie bij het oprollen van misdaadsyndicaten heeft afgepakt. Maar erg veel resultaat heeft de sinds 1 maart 1993 geldende wetgeving waarmee de mogelijkheden werden verruimd om het zogeheten `wederrechtelijk verkregen voordeel' - wvv in het jargon - af te romen, tot dusverre niet gehad. Criminelen hebben te ruime mogelijkheden om verweerprocedures te voeren. Hoge politiefunctionarissen uit Amsterdam en Rotterdam riepen het afgelopen weekeinde om een adequate aanscherping. Minister Korthals (Justitie) liet per ommegaande weten komende maand met wetgeving te komen.

Zowel het Wetboek van Strafrecht als het Wetboek van Strafvordering werd in 1993 op een aantal punten aangepast, zodat het opsporingsonderzoek naar crimineel gewin kon worden uitgebreid en `de buit' afgenomen kon worden. Zo werden de mogelijkheden om de maatregel ter ontneming van `wvv' toe te passen verruimd. Daarnaast werd er een aparte ontnemingsprocedure ingevoerd. De `dadergerichte' vervolging en berechting en de `buitgerichte' opsporing en vaststelling van de omvang van het wvv werden als het ware uit elkaar gehaald.

Gemeten naar het aantal ontnemingszaken dat aanhangig is gemaakt, is van meet af aan sprake geweest van een grote mate van diversiteit tussen de arrondissementsparketten, zo bleek twee jaar geleden uit een onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie. Over alle parketten bezien bleek het aantal ontnemingsvorderingen vooral in 1995 sterk te zijn toegenomen, om daarna tamelijk constant te blijven. Ook in het aantal afdoeningen buiten zitting, zoals de schikking, was geen groei te bespeuren. Er bleek toen al sprake te zijn van stagnatie. Volgens de in 1995 in werking getreden tien-zakennorm dient elke zaaksofficier tien ontnemingsvorderingen per jaar in te stellen. Maar dat beoogde aantal vorderingen was slechts voor ongeveer de helft behaald.

Ontnemingszaken bleken voornamelijk betrekking te hebben op diefstal en drugsdelicten. Beide categorieën vertegenwoordigden elk ongeveer een derde van alle gevallen. Fraude en bedrog waren goed voor tien procent van de zaken. Verreweg de meeste ontnemingsvorderingen hadden betrekking op de strafbare feiten die voorkomen op de tenlastelegging in de strafzaak - en dat gebeurde dus ook vóór 1993 al. Dat lag natuurlijk voor de hand na de eerste jaren, omdat een substantieel deel van de `instroom' aan ontnemingszaken in die jaren betrekking had op strafbare feiten die gepleegd waren vóór 1 maart 1993.

Maar er bleek ook daarna weinig te veranderen. Van de nieuwe ontnemingsmogelijkheden wordt spaarzaam gebruikgemaakt. Voor zover dat wel gebeurt gaat het om relatief kleine zaken. In 66 procent van de vorderingen ging het om minder dan 25.000 gulden. In 13 procent van de gevallen ging het berekende voordeel een bedrag van 100.000 gulden te boven. De grens van 1 miljoen gulden werd in niet meer dan één procent van de gevallen overschreden.

Uit het onderzoek van het WODC bleek dat zich vaak een groot verschil voordoet tussen de vordering van het Openbaar Ministerie en de door de rechter opgelegde betalingsverplichting. In globaal een derde van de ontnemingszaken correspondeert het bedrag in de vordering met dat in de rechterlijke uitspraak. In het merendeel van de gevallen maakt de rechter gebruik van zijn matigingsbevoegdheid of wijst hij de vordering in zijn geheel af. In hoger beroep bij het Hof was de gang van zaken vergelijkbaar. In 82 procent van de ontnemingszaken bleek een maatregel te worden opgelegd die beneden 25.000 gulden bleef. De hoogst opgelegde ontnemingsmaatregel tot dan toe was niettemin 20 miljoen gulden, overigens geen onherroepelijke uitspraak.

Uit de evaluatie bleken de ontnemingsmaatregelen vooral uiterst tijdrovend. Van alle zaken wordt in drie jaar slechts een derde werkelijk afgedaan. Daarbij komt dat het leeuwendeel van alle zaken betrekking had op ontnemingsmaatregelen van minder dan 20.000 gulden. Tot die tijd is slechts één maatregel van werkelijke betekenis geweest, namelijk die van boven één miljoen.

Het grootste gedeelte daarvan bleek echter inmiddels de staatskas van Luxemburg binnen te zijn gevloeid. Het WODC constateert dan ook dat er tussen de gemaakte kosten en de gerealiseerde opbrengsten vooralsnog `een diepe kloof gaapt'.