Nederland gaat riskant op weg naar Nice

Het egocentrisch verlangen van de regering-Kok om in de Europese Unie meer stemgewicht te verwerven dan andere kleine landen, is weinig rationeel. Premier Kok loopt het gevaar in zijn eigen zwaard te vallen, meent M.P.C.M. van Schendelen.

Voor de slotfinale van de Europese gevechtsronde deze week in Nice voor een nieuw verdrag heeft de regering-Kok een nogal egocentrisch verlangen. Bij de geplande herweging van de stempunten voor de besluitvorming in de Raden van Ministers wil zij méér stempunten krijgen dan België. Het verschil in bevolkingsomvang (16 versus 10 miljoen burgers) zou tot uitdrukking moeten komen in het stemgewicht. Daarnaast wil de Nederlandse regering nog andere veranderingen. Maar daarin staat zij niet zo alleen en zoekt zij geen profilering.

Die stemverhouding tot België speelde al eerder in de nacht van 17 juni 1997 te Amsterdam, bij de afronding van het vorige verdrag. Premier Kok, toen tevens Raadsvoorzitter, kreeg over hetzelfde voorstel verhitte ruzie met de Belgische premier Dehaene, waarna het voorstel werd afgevoerd. De vraag is wat de regering-Kok nastreeft met deze reprise. Het moet wel gaan om een belang van hoge orde. Anders maak je geen stevige ruzie met je buurland.

Om twee redenen past stevige scepsis over het Haagse verlangen. Ten eerste lijkt de regering in Den Haag bevangen door de mythologie van de stempunten. Zij corrigeren de ongelijke omvang van de lidstaten. Het beginsel van `één land, één stem' wordt onredelijk geacht. In de Raad van Ministers weegt de Duitse stem nu vijfmaal zwaarder (10 stempunten) dan de Luxemburgse (2). Nederland heeft 5 stempunten, evenveel als België en Griekenland. Alle kleine landen zijn, als wordt gelet op de bevolkingsaantallen, geprivilegieerd met extra stempunten. In de Raad wordt, uitzonderingen daargelaten, een voorstel aanvaard met ten minste 62 van de in totaal 87 stempunten en geblokkeerd met ten minste 26 stempunten.

Maar hoe belangrijk zijn stempunten in de praktijk? Ruim 80 procent van de wet- en regelgeving in de Europese Unie loopt nu buiten de Raad van Ministers om. Zij is gedelegeerd aan de Commissie en betreft de meest concrete belangen. Die overige 20 procent is merendeels hamerpunt, voorbereid in ambtelijke werkgroepen van de Raad. Hierin en op Raadsniveau taxeert de fungerend voorzitter meestal globaal de nationale standpunten, concludeert tot aanvaarding of verwerping en, zolang niemand telling van de stempunten aanvraagt, is aldus besloten. In de schaarse gevallen van telling is er meestal een overschot aan stempunten bij de voor- of tegenstanders. Eén of twee stempunten meer of minder doen er zelden toe.

Ook het demografische argument verdient scepsis. Op zichzelf genomen is hiermee niets mis. Het komt het dichtste bij de hedendaagse opvatting van democratie van `one man, one vote'. Duitsland, dat dit sterk bepleit, zou krijgen waar het, democratisch beschouwd, recht op heeft: bijna dubbel zoveel stempunten als nu, meer dan elk ander land en meer dan alle tien kleine landen bij elkaar! Zo'n orthodoxe uitkomst is in Nice onhaalbaar. Frankrijk verbiedt elke aanpassing die Duitsland bovenaan plaatst. Het steunt wel een overheveling van stempunten van de overbedeelde kleine landen naar de onderbedeelde grote.

Het demografische argument van premier Kok jegens België is dus een zwaard waar hijzelf invalt. Bij toepassing krijgt Nederland weliswaar meer stempunten dan België, maar tegelijkertijd (bij het huidige totaal van 87) absoluut minder dan nu. Na afronding van de percentages zakt ons land van 5 naar 3 of 4 stempunten. Natuurlijk kan de daling cosmetisch worden verbloemd door in Nice alle getallen te verdubbelen. Maar dit verandert het lagere Nederlandse stemgewicht niet.

Wat bezielt Kok en staatssecretaris Benschop om zich in Nice te snijden aan het eigen zwaard? Kunnen zij niet rekenen? Zijn zij graag martelaar voor Duitsland? Vinden zij nog steeds dat gelijkhebben belangrijker is dan winnen? Of willen zij de status van Nederland als grootste van de ukjes vastleggen in stempunten? Wat willen zij met zo'n symbool van pikorde bereiden?

Het lijkt erop dat Den Haag zich wil positioneren als aanvoerder van de kleine landen, als middel om toch groot te lijken. De kleine landen hebben echter zelden een belangengemeenschap. In vijftig jaar Europese integratie bestond zij slechts éénmaal, met Spanje erbij. Zij betrof de keuze van de locatie en de voorzitter van de Oost-Europa Bank. Na precies drie dagen (17-19 mei 1990) brak deze coalitie. Natuurlijk kan wat nog niet was, ooit komen. Maar zal Griekenland of België dan Haagse leiding aanvaarden, alleen omdat Den Haag een stempuntje meer heeft? Waarom aanvaardt Den Haag dan geen leiding van Spanje, het kleinste van de grotere landen?

Het egocentrische verlangen van de regering-Kok in Nice oogt weinig rationeel. Stempunten zijn vooral mythologie. Het demografisch argument is democratisch, maar ook een boemerang. Het halveert in extremo het stemgewicht van alle kleine landen samen van nu 39 tot 18 stempunten en vergroot dat van de grote landen van 48 naar 69. Een `directorium' van de grote landen, dat de Nederlandse regering vreest, bevordert zijzelf. Gezag onder de kleine landen heeft zij nauwelijks. Met België maakt zij vooral ruzie.

Hopelijk voor Den Haag stagneert in Nice het nieuwe verdrag. Dan is er Haagse tijd voor herbezinning.

Dr. M.P.C.M. van Schendelen is hoogleraar politicologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.