Europa en euthanasie

DE BELANGSTELLING van de buitenlandse media op het Binnenhof bij de stemming van de Tweede Kamer over de euthanasiewet was een teken aan de wand. Het Nederlandse wetsvoorstel heeft wereldwijd de aandacht getrokken. Kritische aandacht. Ons land heeft weer eens wat uit te leggen. In het geval van het Vaticaan lijkt dat een voorspelbaar vruchteloze opgave. Minder eenvoudig ligt de Raad van Europa, de internationale organisatie die de bakermat is van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Een Oostenrijks lid van de raadgevende assemblee van de raad heeft zich scherp tegen de Nederlandse wet gekeerd. Maar dat was niet namens de vergadering, die bovendien niet het orgaan is dat het laatste woord spreekt over het verdrag voor de rechten van de mens. Dat doet het Europese Hof voor de rechten van de mens in Straatsburg.

Het Europees verdrag geeft ieder mens recht op bescherming van het leven door de wet. Het is duidelijk dat dit noopt tot grote voorzichtigheid bij het opheffen van de strafbaarheid van euthanasie, zoals een Nederlandse staatscommissie vijftien jaar geleden al waarschuwde. Evenzeer is duidelijk dat de verdragsbepaling niet alleen verplicht tot het opnemen van strafbare feiten zoals euthanasie, maar ook ruimte laat voor het formuleren van strafuitsluitingsgronden.

DE NEDERLANDSE wet komt niet uit de lucht vallen, maar vormt een sluitstuk op zestien jaar bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad over het erkennen van noodsituaties. Deze heeft nimmer geleid tot een klacht in Straatsburg. Rapporteurs van de raadgevende vergadering waarschuwden trouwens al in 1976 dat verlenging van het leven niet het overheersende doel van de geneeskunde dient te zijn, maar evenzeer het verlichten van lijden.

Het recht op bescherming van het leven behoort tot de vrijheidsrechten. En die kunnen moeilijk tegen de authentieke wens van de betrokkene werken. Dat laat nog ruimte voor veel discussie. De volkenrechtelijke verplichtingen van ons land zijn in elk geval zeer algemeen geformuleerd. Deze omstandigheid laat van oudsher individuele staten een zekere vrijheid bij het formuleren van hun eigen wetten.