Enschede laconiek met opslag vuurwerk

Het controleren van vuurwerk had een erg lage prioriteit bij de gemeente Enschede, zo bleek gisteren tijdens de verhoren over de vuurwerkramp. Ambtenaar: ,,Zeecontainers mochten.''

,,Nagenoeg elke vergunning die je uit de kast trok, klopte niet met de werkelijkheid.'' G. Meijerink, hoofd van de afdeling Milieu van de gemeente Enschede, probeerde de rechter-commissaris in Den Haag gisteren uit te leggen waarom hij en zijn ondergeschikten jarenlang door de vingers zagen dat vuurwerkhandelaar Smallenbroek de milieuvergunning overtrad. Er was gewoon geen beginnen aan.

Net als zijn ondergeschikte N. ten Bosch vorige week, werd Meijerink gisteren in Den Haag onder ede verhoord. Dit ter voorbereiding op een civiele zaak die slachtoffers van de vuurwerkramp willen aanspannen. De advocaten proberen via deze verhoren vast te stellen of de aansprakelijkheid bij de gemeente ligt of bij de overheid.

Waarom, wilde de rechter-commissaris weten, liet Meijerink de politie nooit proces-verbaal opmaken tegen Smallenbroek, eigenaar van het latere S.E. Fireworks? ,,Omdat we dat dan bij 70 of 90 procent van de bedrijven wel hadden kunnen doen'', luidde het antwoord. Meijerink was er zeker van dat de rechter-commissaris in heel Nederland hetzelfde beeld zou hebben gezien. ,,Ons beleid was dat we bedrijven eerst kans wilden geven de situatie te legaliseren.'' In dat opzicht was Smallenbroek altijd bereidwillig geweest.

Wat betekende die brief dan, uit 1991, waarin de gemeente Smallenbroek stellig voorhield dat er in geval van overtreding van de Hinderwet proces-verbaal tegen hem zal worden opgemaakt? Een standaardbrief die naar alle bedrijven ging, zei Meijerink. Van die passage moest een ,,preventieve werking uitgaan''. En de notitie dan, in de vergunning van 1997, dat de gemeente maatregelen zal nemen als het bedrijf de voorwaarden zou overtreden? Och, dat zijn de gebruikelijke passages, zei Meijerink.

Vuurwerk had in de jaren tachtig en negentig geen hoge prioriteit in Enschede, aldus Meijerink. Hij bekende de rechter-commissaris dat hij in de jaren tachtig vier keer van Smallenbroek een doos met vuurwerk had aangenomen, ,,om uit te delen onder de collega's''. In die tijd ging de aandacht vooral uit naar bedrijven die bodemverontreiniging veroorzaakten. Voorbeeld: op elke aanvraag voor een milieuvergunning stond een stippellijntje waar de aanvrager moest invullen wat de afstand van zijn bedrijf tot de naaste bebouwing was. Bij een vuurwerkbedrijf deed de Milieudienst daar niets mee, had Ten Bosch twee weken geleden al verklaard. Meijerink voegde daar gisteren aan toe dat het regeltje wel betekenis had bij agrarische bedrijven (voor de zogenoemde stankcirkel) en bij LPG-installaties.

Zo gedoogde de Enschedese milieudienst ruim drie jaar dat Smallenbroek, met zijn vergunning voor voornamelijk klein vuurwerk, vrijwel alleen groot, gevaarlijker vuurwerk opsloeg, en dat in steeds grotere hoeveelheden. Tot verbazing van het bureau adviseur milieuvergunningen (BAM) van het ministerie van Defensie. Daarvan werd de adviseur H. Bouma gistermiddag gehoord.

Bouma, die van 1987 tot en met 1997 bij BAM werkte, bezocht het bedrijf van Smallenbroek in 1993 en 1994 en hij vond het er, in tegenstelling tot Meijerink, een rotzooi. Deuren die niet goed sloten en, wat erger was, de gevarenklasse van het vuurwerk deugde niet. De etiketten op de dozen kwamen niet altijd overeen met de inhoud.

Bouma's beeld van het bedrijf was ernstig genoeg om de gemeente er op aan te spreken. Voorzover ik het me goed herinner, zei Bouma gisteren, want al zijn correspondentie en aantekeningen van voor 1994 zijn verdwenen uit het Defensie-archief. Hij wist nog wel dat hij het gek vond dat de nieuwe vergunning zo lang op zich liet wachten. Bouma had in 1993 aan de gemeente geschreven dat Smallenbroeks bedrijf op geen stukken na voldeed aan de toenmalige vergunning. Daarna duurde het tot 1996 voor er een nieuwe ontwerp-vergunning lag. Al die tijd kon Bouma geen toezicht meer houden op het bedrijf. ,,Af en toe had ik hierover contact met Ten Bosch en die zei dan dat ze ermee bezig waren'', zei hij.

Gisteren bleek waarom de gemeente meer dan drie jaar nodig had om een nieuwe vergunning te maken. Eigenaar Smallenbroek was in die tijd langdurig ziek. Bovendien wilde de gemeente S.E. Fireworks verplaatsen, om het bedrijventerrein geschikt te maken voor woningbouw. De gemeente had problemen om het geld te vinden voor de uitkoop van bestaande bedrijven en voor de ontwikkeling van de nieuwe wijk Groot-Roombeek. Meijerink had de projectleider van Groot-Roombeek gezegd dat er een uitbreiding bij Smallenbroek zat aan te komen – waarmee de uitkoopsom nog zou stijgen – maar dat die uitbreiding niet kon worden tegengehouden.

De rechter-commissaris spitste zijn verhoor toe op de vraag in hoeverre de onderhandelingen over de uitkoopsom het laconieke gedoogbeleid van de gemeente hadden bepaald, én de uiteindelijke beslissing om het vuurwerk dan maar te laten opslaan in zeecontainers. Hij hield de getuigen een brief voor van 12 augustus 1994, van de Enschedese Milieudienst aan BAM, met de passage dat het ,,gezien de verwachte ontwikkelingen ten aanzien van woningbouw op de bedrijfsterreinen aan de Tollensstraat en het naastgelegen industrieterrein niet zinvol is Smallenbroek investeringen te laten doen''.

Die passage had Meijerink geschreven, zei hij gisteren. De hoogte van de uitkoopsom was volgens hem ,,niet direct de reden dat ik die passage in de brief heb gezet, maar het was wel mede de reden.''

De veiligheid kwam daarbij niet in het geding'', zei hij. De zeecontainers en de MAVO-boxen die de uitbreiding tijdelijk moesten opvangen, ,,die móchten immers van BAM''.

DOSSIER ENSCHEDE www.nrc.nl