De burgerzin-generatie

Er zijn niet veel families die een wetenschappelijk belangrijk familiearchief bezitten en op gezette tijden ook nog een eigen kroniek uitgeven waarin levensbeschrijvingen van overleden familieleden en de resultaten van genealogisch onderzoek worden gepubliceerd. Nog zeldzamer zijn de families die zoveel geschiedenis maken dat ze ook nog leesbare biografieën en memoires voor het nut van het algemeen produceren.

Dat wil niet zeggen dat elke biograaf die uit zoveel eigen geschiedenis kan putten ook te benijden is. De biografie die mr. W.C. Mees in 1946 van zijn oudoom, de illustere mr. Marten Mees, publiceerde, oogstte destijds veel lof in de pers, maar niet in de gehele – in de aanhef bedoelde – familie. Man van de daad, mr Marten Mees en de opkomst van Rotterdam, dat nog steeds geldt als een standaardwerk over de negentiende-eeuwse economie van Rotterdam, leverde de schrijver behalve positieve recensies ook een stapel terechtwijzingen op van Mees-takken die zich tekortgedaan voelden.

In zijn hier nog niet besproken memoires, die de Stichting Historische Publicaties Roterodamum heeft uitgegeven, schrijft W.C. Mees (1882-1970) dat sommige familieleden bij de verschijning in 1946 het moeilijk verkroppen konden dat hun vaders er niet genoeg in waren afgeschilderd. Andere leden van de familie koesterden een grief omdat hun vaders in het geheel niet in het boek voorkwamen. Maar zelfs die destijds ontevreden Meezen zullen nu moeten erkennen dat W.C. Mees een uiterst levendige en kleurrijke, in alle opzichten geslaagde kroniek van zijn eigen leven heeft nagelaten.

W.C. Mees was een van de grote Rotterdammers aan wie de Maasstedelijke economie in de eerste helft van de twintigste eeuw haar uitbundige bloei te danken had. Hij was een van de meest effectieve actievoerders voor het gemene best die plannen beraamden, maar zelf ook de handen uit de mouwen staken om iets voor de stad te doen. Hij dacht vele initiatieven uit, die hij samen met andere grote mannen met burgerzin gestalte gaf. Zijn naam werd meestal in één adem genoemd met K.P. van der Mandele, D.G. van Beuningen, W. van der Vorm, J.A. Ruys, W.H. de Monchy en C.A.P. van Stolk, de lokale kongsie van kooplieden, bankiers en reders die in de jaren twintig en dertig zo goed als in alles de hand had – tot in de sociale woningbouw (Tuindorp Vreewijk) toe.

Mees was de eerste initiatiefnemer van de Nederlandse Handelshogeschool, de latere NEH (Erasmus Universiteit) en van Robeco, het beleggingsconsortium voor de grote en de kleine man. ,,Niets was gevaarlijker'', zo schreef hij in zijn openingsmemorandum, ,,dan grote rijkdommen in handen van enkele rijken en daarnaast een grote bezitsloze klasse''. Spreiding van vermogen over de kleinere luyden – in feite bevordering van het volkskapitalisme – beschouwde hij als ,,goed sociaal werk''.

Net als zijn vermaarde oudoom was ook W.C. Mees een geldman. En behalve bankier was hij ook een beetje reder. De Rotterdamse Hypotheekbank, waarvan hij oprichter-directeur was, financierde de bouw van schepen en liet ook zelf een aantal schepen bouwen. Sinds één van die schepen, het kustvaartuig Willem Cornelis, naar hem genoemd was, spelde hij de krant zoals hij nooit eerder had gedaan. Elke dag zocht hij het eerst naar de scheepvaartrubriek en volgde hij met trots de reizen van de Willem Cornelis.

W.C. Mees kwam uit de grote Meezen-familie die taksgewijs verspreid was over Rotterdam en Groningen. Het familieverband was zo talrijk dat te Rotterdam het gezegde bestond ,,het mensdom zal een meesdom worden''.

De Meezen trouwden nooit beneden hun stand. De meesten trouwden andere aanzienlijke families, zodat vermogens en manieren in tact bleven. Op hun beurt kwamen de neven, de ooms en de zwagers elkaar in aanzienlijke posities tegen, de een was de directeur van De Nederlandsche Bank, de ander als directeur van de Internationale Crediet- en Handelsvereniging Rotterdam, een derde als voorzitter van het algemeen bestuur van de Handelshogeschool, weer een ander als rector-magnificus in Groningen; en de zoveelste als gewoon hoogleraar. En dan waren er ook nog bankiers in de familie, onder meer bij R. Mees en Zonen. Een van de knapste koppen in de familie was schoonzoon Han Boon, die met dochter Lot was getrouwd. Boon was een van de kopstukken van het ministerie van Buitenlandse Zaken, onder meer ambassadeur in Italië, die het Italiaans machtig was als de best opgevoede Italianen. Het spreekt vanzelf dat het niveau van de vriendenkring nauwelijks onderdeed voor dat van de familieclan.

Gelukkig was er ook een zwart schaap in de familie, een zwager die te goed was om met geld om te gaan. Mees bedekt de zonden van deze zwager niet maar geeft een even gedetailleerd als gewetensvol verslag van de geslaagde reddingsoperatie die hij opzette om deze zwager uit de gevangenis te houden. De verwikkelingen waarin de zwager verstrikt raakte, zijn dermate ondoorzichtig dat ze doen denken aan de schelmenstreken die in Elschots Het Zeeschip worden opgevoerd.

Politiek was hij een liberaal in hart en nieren. Hij liep zich het vuur uit de schoenen om zijn al te laconieke mede-liberalen in Rotterdam meer politieke hartstocht bij te brengen. Maar in Rotterdam wilde de liberale actie niet vlotten. Na de invoering van het Algemeen Kiesrecht hadden de katholieken en de sociaal-democraten zonder moeite de zelfgenoegzame liberale ondernemers de politieke macht afhandig gemaakt. Daarna was het met de liberale macht in de politiek gedaan. Nog één keer leefde de liberale belangengemeenschap op, dankzij een effectieve, door Mees geregisseerde opwekkingscampagne tegen het Wijzigingsverdrag van 1925 waarin de havenbelangen van Antwerpen met die van Rotterdam gelijkgesteld werden. Mees beleefde zijn finest hour toen de Eerste Kamer, een week nadat hij in de NRC van 29 oktober 1926 had betoogd dat de haven van Rotterdam er aan zou gaan als de Belgen hun Moerdijkkanaal zouden krijgen, het verdrag verwierp. Met die Pyrrusoverwinning verschoot de liberale macht zijn laatste kruit.