Viskweek zoekt reductie van milieubelasting

Vis kweken geldt als goed alternatief voor visvangst `in het wild'. Maar aan de kunstmatige `aquacultuur' valt uit milieuoogpunt nog wel wat te verbeteren.

Palingkweker J. Elenbaas wijst naar drie ronde tanks, elk zo'n drie meter hoog. ,,Daar zuiveren we ons water!'', roept hij, in een poging boven het geraas van de waterzuiveringsinstallatie uit te komen. Elenbaas, ooit akkerbouwer, is directeur van het Nijmeegse bedrijf Nijvis, met een jaarlijkse productie van 800 ton de grootste palingkweker van Europa. Hij vertelt dat hij als goede palingkweker voortdurend moet investeren in nieuwe technologie. Niet alleen om de concurrentie voor te blijven, maar ook om te voldoen aan steeds strengere milieu-eisen.

Zo koos het bedrijf bij de oprichting in 1989 al vrijwel meteen voor een systeem dat het water uit de honderden kweekbakken oppompt, via drie bacterietanks zuivert, en terugpompt in de groene bakken. Elenbaas verklaart:. ,,Omdat de palingen in het water poepen, moeten we het vaak verversen. Als de concentratie afvalstoffen te hoog wordt, willen ze niet meer groeien.''

Aquaculturen, zoals die van Elenbaas, worden gezien als een duurzame en milieuvriendelijke vervanging van de visvangst `in het wild'. Eind vorige week kregen de Europese vissers nog te horen dat hun quota voor een aantal vissoorten drastisch omlaag moeten, vanwege overbevissing.

De productie van gekweekte vis nam tussen 1987 en 1997 toe van 10 naar 30 miljoen ton. Aquacultuur komt de visstand in het wild weliswaar ten goede, maar echt milieuvriendelijk is deze manier van kweken nog lang niet, zo schreef een aantal onderzoekers onlangs in het wetenschappelijk tijdschrift Nature. De kweek gebeurt vaak in open vijvers, fjorden of aan de rand van mangrovebossen. Voer, uitwerpselen van de vissen en medicijnen komen in de vrije natuur terecht.

De installatie van Nijvis gaat in ieder geval zorgvuldig om met afvalwater. Het bedrijf bespaart daardoor niet alleen op de zuiveringslasten die de gemeente oplegt, maar ook op energiekosten. Palingen groeien namelijk het best in water van 23 graden Celsius. Elenbaas: ,,Je wil voorkomen dat je steeds water moet opwarmen. Dat kost handenvol geld. Zeker in de winter. Daarom pompen we het lauwwarme water rond.''

In de Noord-Oostpolder heeft Elenbaas een tweede kwekerij, die jaarlijks 300 ton paling produceert. Met zijn twee fabrieken is hij goed voor bijna een derde van de totale palingproductie (zowel gekweekt als gevangen) in Nederland.

Inmiddels staat op het terrein van Nijvis een nieuwe zuiveringstank waarmee proeven worden gedaan. Daarin wordt het water nóg verder gereinigd. Want de bacteriën in de drie bestaande tanks breken de uitwerpselen slechts af tot nitraat. In hoge concentraties kan dat de groei van palingen beïnvloeden. Bovendien willen waterzuiveraars voorkomen dat te veel nitraat in het drinkwater terechtkomt. Dat kan namelijk worden omgezet in nitriet, en dat kan schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid. In de nieuwe tank van Nijvis breken bacteriën het nitraat verder af tot stikstofgas. En dat verdwijnt in de lucht.

Aan de huidige palingkweek kleven ook nadelen. Zo wil jonge paling, de zogeheten glasaal, zich in gevangenschap niet voortplanten. De kwekers zijn daarom afhankelijk van in het wild gevangen glasaaltjes. Doordat de palingkweek de laatste jaren sterk is gegroeid, met name in China, worden de jonge doorzichtige aaltjes steeds schaarser. ,,De concurrentie is moordend'', klaagt Elenbaas. ,,Voor een kilo glasaal betaal je nu zo'n 1100 gulden. Normaal is dat 200 gulden.''

De prijs voor een kilo volwassen paling is tot spijt van Elenbaas gelijk gebleven. ,,We krijgen er 11 gulden voor, maar gezien de hogere kosten zou dat 15 gulden moeten zijn.'' Bij Nijvis worden de 0,3 gram wegende glasaaltjes in anderhalf jaar tijd opgekweekt tot volwassen palingen van 130 gram. In het wild duurt dat zes tot acht jaar.

Paling en andere vissoorten kwamen afgelopen maand in het nieuws wegens het advies van het Europees wetenschappelijk comité over voedsel om de dioxinenorm voor menselijke consumptie aan te scherpen. In zijn rapport meldt dit comité van de Europese Commissie dat met name vette carnivore vis, zoals zalm en paling, hoge concentraties dioxines kan bevatten.

Elenbaas kapt het onderwerp meteen af. ,,Als het over dioxines gaat, begint men altijd te zeuren over paling. Maar je hoort niemand over bijvoorbeeld zalm, dat is ook een vette vis. Ik doe hier niet aan mee.''

Uiteindelijk wil Elenbaas nog wel iets kwijt over visvoer, een grote bron van dioxines. Met name het vismeel en de visolie bevatten veel van deze verbindingen. En het dieet van carnivore vissen bestaat voor ruim 80 procent uit vismeel en visolie. Daarom zou de palingkweker er niet raar van opkijken als het visvoer in de toekomst ingrijpend van samenstelling verandert. Grote visvoerproducenten als Nutreco zijn volgens Elenbaas al lang bezig met onderzoek om de belasting met dioxines in visvoer te verminderen. ,,Misschien zoeken ze naar alternatieve eiwit- en oliebronnen, zoals algen. Misschien ontwikkelen ze technieken om dioxines uit het meel en de olie te zuiveren'', zegt Elenbaas.

Hij vindt het allemaal prima, zolang het voer maar van een optimale kwaliteit is. Het moet vers zijn. ,,Want een paling eet met zijn neus'', zegt hij. De vis, die in het wild duizenden kilometers trekt, ruikt voer op grote afstand. Bedorven eten hoeft hij niet. Daarom klopte er ook niks van het boek De Blikken Trommel, van de Duitse auteur Günther Grass. Daarin vissen kleine jongetjes met een rottende paardekop op paling. ,,Flauwekul'', bromt Elenbaas.