Priemende kinderogen op kleurige doeken

Kort na de Tweede Wereldoorlog maakte Karel Appel per trein een reis naar Denemarken. Op de Duitse stations die hij passeerde zag hij kinderen bedelen langs de trein. Het beeld van de haveloze, bedelende kinderen liet hem niet los en in 1949 en 1950 maakte hij een hele reeks schilderijen op het thema `Vragende kinderen'. Door dit thema liet hij zich ook inspireren toen hij in 1949 een wandschildering maakte voor de kantine van het toenmalige Amsterdamse stadhuis. Bij het bekijken van deze schildering zei de dichter Martinus Nijhoff: `Wat een prachtige kleuren', en daarna: `Amsterdam is toch een toekomst-bewuste stad.' Maar Nijhoff zag dat fout. Begin 1950 werd de door Appel beschilderde wand door een behang aan het oog onttrokken. Het stadsbestuur had daartoe besloten na protesten van gemeente-ambtenaren die het experimentele kunstwerk niet konden waarderen en dreigden het weg te zullen schrobben. Pas tien jaar later, toen de Cobra-kunst geen verontwaardiging meer opriep, werd het behang verwijderd en de wandschildering alsnog onthuld.

Appels thema `Vragende kinderen' was het uitgangspunt voor de expositie Het kind in Cobra, die gastconservator Ed Wingen samenstelde ter gelegenheid van het eerst lustrum van het Amstelveense Cobra Museum. De tentoonstelling gaat niet over het kind-motief in de Cobra-kunst, maar over de invloed die kindertekeningen op deze kunst hebben gehad. Dat neemt niet weg dat er op de 120 geëxposeerde schilderijen, tekeningen en gouaches heel wat kinderen te zien zijn, te beginnen met enkele schilderijen uit de reeks `Vragende kinderen' van Appel. Voor wie het verhaal achter deze doeken niet kent, doen de dynamische composities van kleurvlakken en robuuste lijnen vrolijk en onbekommerd aan. Alleen in de door zwarte rondjes aangegeven priemende kinderogen kun je met een beetje goede wil een verwijzing zien naar het wrange thema van de Duitse bedelkinderen.

De Cobra-kunstenaars lieten zich vooral in de beginperiode, tot omstreeks 1952, door kindertekeningen inspireren. Op de tentoonstelling is dan ook relatief veel vroeg Cobra-werk te zien waarin een kinderlijke en kleurige figuratie overheerst. De schilders Appel, Brands en Corneille waren zo gefascineerd door de impulsieve, niet door conventies gehinderde tekentrant van het kind, dat zij na de oorlog hele verzamelingen van kindertekeningen aanlegden. In het werk van de Deense kunstenaars Asger Jorn en Carl-Henning Pederson was de invloed van kindertekeningen aan het begin van de oorlog al zichtbaar. Maar ook zij waren niet de eersten die met jaloezie keken naar de spontane uitingsvormen van het kind. Lang voor de oorlog probeerden kunstenaars als Kandinsky, Klee, Miró en Matisse die spontaniteit te evenaren.

Bij thema-tentoonstellingen is het altijd moeilijk onbevangen te kijken – het thema stuurt nu eenmaal de blik. Ook bij Het kind in Cobra ben je geneigd in elk werk het kinderlijke te zoeken. Het `kinderlijk gehalte' blijkt dan weleens tegen te vallen. De Cobra-kunstenaars keken niet alleen naar kindertekeningen, maar putten ook inspiratie uit de primitieve Afrikaanse kunst, de surrealistische peinture automatique, het Duitse expressionisme en het werk van Nederlandse schilders als Benner en Werkman.

Enkele schilderijen van Theo Wolvecamp op de tentoonstelling zijn duidelijk beïnvloed door het surrealisme van Miró en een beangstigend schilderij als Face (1954) van Asger Jorn staat even ver van een kindertekening als De Schreeuw van Munch. Aan sommige werken is ook goed af te lezen dat het bewuste streven naar een kinderlijke spontaniteit allerminst spontaan is en zelfs een beetje krampachtig kan worden. Zo komen bijvoorbeeld Constants schilderijen Lente (1949) en Feest der droefenis (1949) nogal geforceerd-kinderlijk over.

De standaardaanmerking op de Cobra-kunst was altijd de uitroep: `Dat kan mijn kleine zusje ook.' De tentoonstelling in het Cobra-museum begint met een aantal echte kindertekeningen, gemaakt door leerlingen van een Amstelveense school. Hoe kleurig die tekeningen ook zijn, ze bewijzen dat het kleine zusje het helemaal niet kan. De tekeningen missen de zwier, de flair en het raffinement van de Cobra-kunst. De huisjes, boompjes, beestjes, zonnen, clowns en ballonnen zijn, vergeleken bij Cobra, houterig op het papier gezet. De vormen zijn stijf afgebakend, voor de gezichten is vaak een maniertje gevonden, een sjablone, met een boogje als neus en een streep voor de mond. De zevenjarige Barend schilderde weliswaar heel spontaan een Cobra-fähig geel konijn, maar dat is een uitzondering en het is de vraag of hem dat ook voor een tweede keer zou lukken. Naast de serie kindertekeningen hangt het schilderij Kind en dier (1950) van Karel Appel. In deze context valt nog meer op hoe origineel zijn beeldtaal was en hoe levendig zijn composities.

Tentoonstelling: Het kind in Cobra. Cobra Museum voor Moderne Kunst, Sandbergplein 1-3, Amstelveen. T/m 28 jan. 2001. Di-zo 11-17 u.