Plasje

Staande voor de pot als voor een afgrond vol existentialistische mysteries word ik door een onweerstaanbare drang tot bezinning gegrepen. Alsof ik onder mijn benen de zinloosheid van het bestaan in al zijn diepzinnigheid voel kloppen. Ik sla de pulserende straal gade die de link vormde tussen mijn menselijkheid en de trivialiteit van het eigendomsrecht. Mijn hoofd duizelt. Ik hervind me onmiddellijk zodat ik met dezelfde precisie in de pot kan blijven mikken. Heel even krijg ik het sentiment dat het goudkleurige vocht even precieus is als het beroemde metaal. Wordt er soms niet in Parijs een titanenstrijd om gevoerd? Een urineske worsteling tussen een minister, onderzoeksrechters en de padre padrone van de UCI?

De straal vormt met hernieuwde krachten een magistrale boog en ik peins voort. Als urine de essentie is, de waarheidslikeur waarin vele levensbeschouwde vragen zijn opgeslagen, wie is dan de ultieme eigenaar ervan? Zo even was de vloeistof ontegenzeggelijk van mij. Het circuleerde door mijn lichaam, zoefde door de poorten die mijn nieren vormen als door de chicane van een Formule 1-circuit, stroomde onbekommerd door buizen alvorens zich op te hopen in een rekbaar soort zakje. Maar toen het zich van mijn lijf begon af te scheiden, veranderde het plasje soms niet van eigenaar? Ik vertrouwde het toe aan het gemeentelijk riool. Het is dus nu het eigendom van de lokale overheid die het moet afvoeren. Maar als ik niet zoals nu in de wc-pot stond te plassen maar in een glazen potje? Is dan de rechtmatige eigenaar degene die de potjes aanreikt of degene die ze in bewaring neemt?

De straal lijkt in een fase van twijfel en aarzeling te zijn beland, hij zwakt licht af en ik denk onmiddellijk en logischerwijs aan Hein Verbruggen. De twijfelkont van de Union Cycliste Internationale en het ongekroonde opperhoofd der urinebuizen. Verbruggen beschouwde zichzelf van meet af aan als de trotse eigenaar van de urinemonsters die op verzoek van de Franse autoriteit vier maanden geleden door een honderdtal Tour de France-renners zijn afgestaan. Zijn vereenzelviging met een zuiveringsinstallatie was zo sterk dat de UCI-baas zich als een vulgair riool begon te gedragen. Hij kon zijn drang tot afvoeren en vernietigen niet meer onderdrukken. Pas du tout, repliceerde de Franse minister van dopage en sport, Marie-George Buffet. Deze pipis zijn eigendom van de Franse staat die ze nog op tal van punten aan een kruisverhoor wil onderwerpen. Doel van de operatie: vaststellen of onder hun spierenkorset en engelachtige smoeltjes de Tour-renners soms niet een ambulante apotheek verbergen. Een kwestie van transparantie. De minister is weliswaar lid van de communistische partij PCF maar van glasnost heeft Verbruggen nooit gehoord. Hij is in het Brezjnev-tijdperk jammerlijk blijven steken. Afgelopen week, ondanks eerdere toezeggingen, begon hij weer om zijn bevroren plasjes te janken. De Franse justitie vertrouwde dit wispelturige baasje niet meer en heeft de 91 glazen potjes in beslag genomen. Ere wie urine toekomt.

Ik zie met toenemende nostalgie mijn laatste reflectieve druppels in de pot kletteren en als door een wesp gestoken schreeuw ik Eureka! Die potjes met urine zijn van mij! En ook van alle andere Tour-liefhebbers die al jaren worden belazerd en die nu de naakte waarheid eisen. Die allemaal willen weten waarom US Postal zeven vuilniszakken met honderden spuiten, tal van lege dozen medicijnen met rare namen als Prefolit, Epargiseovit of Actovegin op de parking van een Franse snelweg heeft gedumpt in plaats van de speciale containers van de Tour-directie te gebruiken. Die uit voorzorg willen vernemen of in geval ze door kanker worden gebeten, ze toch met wat ampulletjes EPO een tweede jeugd kunnen overwegen. Die monsters zijn dus van ons: ze zijn met de inbeslagname deel van het publieke domein geworden en dienen het algemeen belang. Tevreden rits ik mijn gulp dicht en trek de laatste herinneringen aan Hein Verbruggen met een ferme hand door.