Ministerie opent website oorlogskunst

Het ministerie van OCenW opent begin volgend jaar een website waarop alle kunstvoorwerpen die na de Tweede Wereldoorlog uit Duitsland werden gerecupereerd en in het bezit kwamen van het Rijk met afbeelding en alle gegevens omtrent de herkomst worden gepubliceerd.

Staatssecretaris R. van der Ploeg van Cultuur heeft hier toestemming voor gegeven. Dit blijkt uit de vrijdag verschenen deelrapportage van het project Herkomst gezocht dat de oorlogsgeschiedenis van deze kunstwerken in kaart brengt.

Herkomst gezocht ging in 1998 van start in opdracht van de toenmalige staatssecretaris van Cultuur A. Nuis, met als doel de geschiedenis van de gerecupereerde kunst in rijksbezit op te helderen zodat eventuele claims beter kunnen worden behandeld. Voor 2003 moet het onderzoek zijn afgerond.

Het onderzoek is gericht op de zogeheten NK-collectie, genoemd naar de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) die na de oorlog belast was met de recuperatie van kunst uit Duitsland en met de teruggave aan de rechtmatige eigenaren. Het ging om kunstwerken die de Duitsers tijdens de oorlog van Nederlanders hadden geroofd of gekocht. Als zich na de oorlog geen eigenaren meldden, of als de aanspraken niet bewezen werden geacht, vervielen de kunstwerken aan de Nederlandse staat. Dat gebeurde ook met alle kunst die tijdens de oorlog vrijwillig aan de Duitsers was verkocht.

Van de 4217 gerecupereerde kunstwerken uit het bezit van het Rijk - waaronder 1750 schilderijen - zijn er nu 1083 op hun herkomst onderzocht: 696 schilderijen en 387 voorwerpen van kunstnijverheid. De uitkomsten van dit onderzoek, die vanaf volgend jaar ook op internet staan, verschijnen in deelrapportages waarvan er nu twee zijn gepubliceerd.

Het vrijdag uitgekomen rapport behandelt de herkomst van 460 schilderijen. Bij 181 van deze schilderijen is die herkomst geheel duidelijk: ze behoorden tot de collectie van de in mei 1940 omgekomen kunsthandelaar J. Goudstikker. Ook bij tientallen andere schilderijen was de oorlogsgeschiedenis snel te traceren doordat ze deel uitmaakten van grote kunstcollecties die in handen van de Duitsers kwamen, zoals de Koenigs- en de Gutmann-collectie. Evenals de kunst uit de Goudstikker-collectie worden deze kunstwerken door de erfgenamen geclaimd. Deze claims zijn tot nu toe om verschillende redenen niet door de Nederlandse staat erkend.

Van 167 van de 460 schilderijen kon de herkomst in het rapport niet volledig worden gereconstrueerd. Het gaat hierbij meestal om werken die via de Nederlandse kunsthandel in Duitsland terecht kwamen en waarvan niet bekend is wie ze bij de kunsthandel inbracht. Het is niet uitgesloten dat een deel van deze schilderijen afkomstig is van joden die er door de oorlogsomstandigheden toe kwamen om hun bezit te verkopen.

Bij tien schilderijen lijkt na de oorlog geen recht te zijn gedaan aan de beroofde eigenaren of hun erfgenamen. Of deze schilderijen alsnog kunnen worden opgeëist, wordt niet vermeld.

Het rapport brengt hierbij enkele schrijnende gevallen aan het licht. Een stilleven van Floris van Schooten dat in 1942 noodgedwongen door de joodse eigenaar Otto Busch werd verkocht, kreeg hij in 1948 niet terug omdat hij toen geen geld had om de verkoopsom aan de Nederlandse staat te betalen. Toen hij daar in 1964 wel toe in staat was, weigerde de overheid met het argument dat `het wenselijk is dat het schilderij van Floris van Schooten voor het Rijk behouden blijft.'

Uit het rapport komt ook naar voren dat een aantal kunstwerken na de oorlog uit Duitsland naar Nederland is overgebracht hoewel ze niet uit ons land afkomstig waren. NRC Handelsblad maakte hier in oktober 1997 al melding van. Van de 460 onderzochte schilderijen is van tien twijfelachtig of ze uit Nederland kwamen en bij negen is er zelfs geen enkele aanwijzing voor. Deze schilderijen werden door de medewerkers van de SNK op eigen initiatief uit de Duitse `collecting-points' naar Nederland gestuurd toen de kunstrecuperatie omstreeks 1950 op zijn eind liep.

De volgende deelrapportage van Herkomst gezocht verschijnt in het najaar van 2001.

    • Lien Heyting