Laat ze toch pret maken

Waarom is het zo moeilijk je niet te ergeren aan de manier waarop andere mensen leven, zelfs als je van die manier van leven helemaal geen last hebt? Afgelopen zaterdag stond in deze krant een stuk over het gebruik van `gemaksdiensten', waarin beschreven werd voor welke bezigheden men tegenwoordig allemaal iemand kan huren. Men kan een hond hebben zonder de verplichting die zelf uit te laten, de firma `Doggiedog' komt het beest vijf dagen in de week halen. ,,Moe van het ravotten wordt hij in de loop van de middag weer thuisgebracht. Soms is-ie zelfs geïrriteerd wanneer wij weer thuis komen,' zei de eigenaresse van een enorm dier. En niet alleen de hond kan uitbesteed worden, ook de boodschappen, het koken, de kinderen vanzelfsprekend, de stomerij, de verhuizing, het ontvangen van klusjesmannen, de aanschaf van de garderobe, het laten reinigen van diezelfde garderobe, de financiële zorgen en toekomstvoorzieningen – eigenlijk hoeft een mens, als een mens een beetje well to do is tenminste, zo goed als niets meer zelf te doen. Niets meer dan plezier hebben in de spaarzame vrije tijd.

De schrijver van het stuk, Patrick van IJzendoorn, kon zijn ergernis over deze manier van leven, die vooral beoefend wordt door jonge rijke mensen, maar nauwelijks verhullen. Hij schreef over `jong bejaarden' die `een gepamperd leven' leiden en zichzelf, onder het mom van onafhankelijkheid, schrikbarend afhankelijk maken van allerlei zorgvoorzieningen. Lichte hoon klonk door in zijn beschrijving van de plicht tot `fun' en de kosten van al die pret, die de pretmakers dan weer verplichten tot nog meer werk, waardoor de vrije tijd nog strakker geregeld moet worden en álles, het hele leven, aan een strenge indeling onderworpen is.

Die ergernis en hoon – ik zal niet zeggen dat ik die niet begreep. Waarom een hond, laat staan een kind nemen, als je niet van plan bent tijd vrij te maken om voor beest of wicht te zorgen, behalve op zondag, of in het ingeroosterde half uurtje `qualitytime' (de kwaliteit gaat meteen al met sprongen omhoog als je het in het Engels zegt). Daar is enige ergernis wel op zijn plaats, want dat gaat niet alleen degenen die zo uitbesteed leven aan, maar ook de levende wezens die uitbesteed worden.

Maar al die andere dingen, al die klusjes en zorgen en regeldingen waar niemands leven erg veel leuker van wordt maar die nu eenmaal moeten gebeuren – wat is er eigenlijk tegen om, als je het kunt betalen, daar anderen voor in te huren? Een jonge advocaat vertelde dat bij hem op kantoor pakken ingeleverd kunnen worden voor de stomerij, en schoenen ter reparatie. Scheelt tijd en geregel. Zeg eens dat het niet waar is.

Misschien is het echte ergerniswekkende dat voor deze mensen allerlei dingen die voor `ons', ons buitenstaanders, wèl belangrijk zijn, er niet meer toe doen. Al die stomme gewone zorgen en zorgjes – zij hebben er geen weet van. Maar dat is het niet alleen. In het Cultureel Supplement van deze krant woekert een door H.J.A. Hofland op gang gebrachte discussie, waarin door sommige deelnemers ook onverbloemde afkeer van het pretmakende deel van de mensheid beleden wordt. Het feit dat andere mensen zich vol overgave storten op dingen die men zelf onbelangrijk vindt, is blijkbaar onuitstaanbaar. Omdat men de andere mensen hun genoegens niet gunt? Waarschijnlijk niet. Is het dan soms angst voor het alles overwoekerende karakter van die genoegens. De angst dat op een dag ook wij verplicht zullen worden om kraaiend van levenslust van een hijskraan af te springen met een elastiek om ons been, of om derderangs verkoopsuccessen als staaltjes van verbluffende romankunst aan te prijzen, of om een kok te huren in plaats van zelf iets te eten klaar te maken.

Die angst slaat natuurlijk nergens op, de plezierpolitie is niet opgericht en zal dat ook niet worden, kamergeleerden worden niet vervolgd, evenmin als degenen die er aardigheid in hebben om hoogstpersoonlijk hun aardappelen te schillen, de afwas te doen, naar de stomerij te fietsen of hun hond uit te laten. Je mag vrijelijk de literaire toptien weg honen omdat het je om andere literatuur gaat, toneelstukken van een eeuw geleden bewonderen, van obscure renaissance muziek houden en nooit naar de disco gaan. Geeft niets.

Ian Buruma verdedigde afgelopen vrijdag zo ongeveer dat standpunt. De zakenmannen, de plezierbieders, waarborgen de vrijheid van degenen die het juist om andere dingen gaat.

Dat klinkt heel redelijk. Wie het las kon makkelijk een plezierig gevoel van ontzenuwde ergernis hebben en eindelijk eens liberaal `laat ze toch' denken.

Maar is het wel waar, van die vrijheid die door de markt en de zakenwereld gewaarborgd wordt? Is het niet zo dat er op veel gebieden verrassend veel minder vrijheid bestaat dan men zou willen of denken? Is het bijvoorbeeld niet zo dat, omdat universitair onderzoek financiers moet hebben van buiten, allerlei onderzoek niet gedaan wordt? Omdat het de financiers, lees zakenmannen, niet zo erg welgevallig is? Is de farmaceutische industrie niet gevaarlijk machtig – diezelfde de vrijheid waarborgende zakenmannen? Is het ook niet zo dat als cultuur in laag aanzien staat, daar weinig geld voor over is zoals we hier weer eens mochten merken bij de verhoudingsgewijs erg zuinige kunstbegroting? En zoals ook aan alle universiteiten waar te nemen valt, waar vooral hoogleraarsplaatsen in de humaniora jarenlang onbezet blijven als ze al überhaupt blijven bestaan? Is het niet ook zo dat uitgeverijen, ook gerenommeerde, steeds meer moeite hebben met het uitgeven van boeken die geen bestseller zullen worden – essays, poëzie, lastig proza – omdat er van de zakenmannen winst en steeds meer winst gemaakt moet worden?

Het is altijd eenvoudig om te zeggen dat degenen die protesteren bang zijn voor hun eigen positie, vinden dat ze te weinig aandacht krijgen, de boot hebben gemist, te oud zijn of nog zo wat van die gratis tegenwerpingen. Maar misschien hebben ze, onder hun overdrijvingen, algemeenheden, klagerigheden, toch ook wel gelijk.

Ergernis aan gemaksgebruikers en fun-consumenten is niet erg groots en ruimhartig. Maar het is niet ondenkbaar dat wie almaar blijft denken `laat ze toch', en `ik heb er geen last van' zich op een dag zal verwijten te weinig gedaan te hebben om datgene in stand te houden wat hij of zij wel belangrijk vindt. Ergernis aan cultuurverschijnselen is tenminste een vorm van betrokkenheid. Daar moet niet alléén maar op gereageerd worden met: je hebt er toch geen last van. Al is het waar: je hebt er geen enkele last van dat iemand niet zelf naar de stomerij gaat.