HIV-infectie is privé-zaak

Een speler van Vitesse blijkt besmet met HIV. Reden voor sportartsen zich af te vragen of een verplichte HIV-test moet worden ingevoerd. Maar een testbeleid, anders dan op spontaan verzoek van betrokkenen, is ongewenst, menen S.A. Danner en C. Richter.

Recent heeft de voetbalclub Vitesse openbaar gemaakt dat een van haar jonge spelers is besmet met HIV, zonder dat hij overigens enig symptoom van een ziekte heeft. Deze bekendmaking is overigens in dit geval geschied met goedkeuring, ja op verzoek van de speler zelf. De KNVB en haar sportartsen hebben vervolgens verklaard naar aanleiding hiervan `zich te beraden' of een HIV-test niet verplicht moet worden ingevoerd.

Dit moet ons als medici toch een ogenblik tot nadenken brengen. Dagelijks hebben wij in ons vak te maken met mensen die met HIV geïnfecteerd zijn, met of zonder klachten, uit alle lagen van de bevolking, afkomstig uit verschillende landen, vaak gewoon hun beroep uitoefenend. In het algemeen is er voor een met HIV geïnfecteerde geen enkele reden om anderen dan enkele vertrouwelingen over zijn infectie te informeren. Indien de geïnfecteerde asymptomatisch is, bestaat er immers geen belemmering voor uitoefening van welk beroep dan ook.

In de sportwereld zou dit recht op vrije beroepsuitoefening ook moeten gelden en geen thema moeten zijn. Ook al is besmetting via bloed-bloed contact mogelijk (met name via transfusie van besmet bloed of besmette bloedproducten), deze besmettings-kans wordt tijdens het voetballen als verwaarloosbaar klein beschouwd. Indirect bewijs voor deze stelling zijn studies over moeder-kind HIV-overdracht tijdens zwangerschap en bevalling, en de afwezigheid van ook maar enigszins betrouwbare mededelingen over HIV-overdracht tijdens sporten zoals boksen. De kans op ernstige schade aan de gezondheid als gevolg van fysiek letsel tijdens voetballen is talloze malen groter.

Het probleem is echter dat op onderwerpen als HIV-infectie in de voetbalwereld een zodanig taboe rust, dat een speler en vooral de clubleiding voor een groot dilemma meent te staan als dit probleem zich concreet voordoet. Mogelijk dat men bang is voor schadeclaims als later zou blijken dat een speler van een andere club geïnfecteerd is, en als enige risicofactor opvoert dat hij eens tegen een speler heeft gevoetbald van wie later bekend is geworden dat deze op dat moment met HIV geïnfecteerd was. Iets wat natuurlijk nooit te bewijzen zal zijn.

Treurig genoeg zijn er enkele voorbeelden in de voetbalwereld, dat HIV-seropositieve spelers op staande voet werden ontslagen; in deze krant van 21 november werden twee gevallen uit Australië en België beschreven. Wij zijn er geenszins zeker van, dat in Nederland een positieve HIV-test voor een speler geen nadelige gevolgen zou hebben, ook al verkeert hij in uitstekende gezondheid. Wat is bijvoorbeeld de achterliggende gedachte bij Ajax dat kennelijk al jaren een HIV-test op vrijwillige basis bij alle nieuwe spelers blijkt te verrichten, voor zij het contract tekenen? Hen extra te kunnen aanmanen voorzichtig te zijn bij wondjes en dergelijke? Het lijkt meer voor de hand te liggen dat een HIV-seropositieve speler een contract wel kan vergeten. Waar volgens alle HIV deskundigen niet de geschiktheid om te spelen in het geding kan zijn, resteert dus een ontoelaatbare discriminatie. Hetzelfde geldt uiteraard voor regelmatige `routine controles op HIV-seropositiviteit'.

Gezien de omvang van de wereldwijde HIV-epidemie is HIV-infectie in de internationale sportwereld natuurlijk ook een dagelijkse realiteit geworden. Deze realiteit moet onderkend en niet genegeerd worden. Men moet zich ook realiseren dat HIV-seropositieve sporters tot absolute topprestaties in staat kunnen zijn, en dat puur op basis van een positieve HIV-test niemand het recht heeft een sporter op welke manier dan ook te benadelen. Het moet tenslotte ook tot ieders bewustzijn doordringen, dat HIV-besmettingsgevaar tijdens sporten een `non-probleem' is.

Andersom betekent het voor de sporter dat hij zich verzekerd moet kunnen voelen, dat als hij zich om de een of andere reden laat testen, een positieve testuitslag voor hem geen nadelige consequenties heeft tenzij hij door HIV-gerelateerde klachten of eventuele bijwerkingen van anti-HIV therapie niet meer in staat is volledig te presteren. Maar dit geldt voor elke andere ziekte of blessure ook.

Een testbeleid, anders dan op spontaan verzoek van betrokkenen zelf (om welke reden dan ook), is dan ook ongewenst. Clubs cq. sportartsen die hun spelers vragen zich vrijwillig te laten testen, moeten dit alleen doen voor zover het voor de gezondheid van de speler zelf van belang kan zijn. Dit houdt in dat het dan verder een zaak is tussen de speler en de arts die test, en dat het niet de bedoeling is dat de arts de leiding van de club van de uitslag op de hoogte brengt.

Artsen die in dienst zijn van een voetbalclub, zijn verplicht het belang van de spelers te dienen, en in geval van een (vermeend) conflict tussen het belang van een individuele speler en de club als geheel, het eerste te doen prevaleren. Dit inzicht is zo oud als de Hippocratische artseneed. Collega-sportartsen dienen dan ook niet aan onnodige hysterie die individuele patiënten schade berokkent, mee te doen

Het valt te hopen dat in de toekomst een met HIV-geïnfecteerde speler zonder angst, schaamte-, of schuldgevoel zijn beroep kan uitoefenen zonder zich genoodzaakt te voelen zijn infectie aan anderen dan enkele vertrouwelingen mede te delen. Een eventuele HIV-infectie dient weer zo snel mogelijk een privé-aangelegenheid te worden, zoals het hoort.

Prof.dr. S.A. Danner en dr. C. Richter zijn als internist verbonden aan respectievelijk het VU-ziekenhuis in Amsterdam en het ziekenhuis Rijnstate in Arnhem.