Filmprijzen braaf over landen verdeeld

De European Film Awards, afgelopen zaterdag voor het eerst in Parijs gehouden ter gelegenheid van het Franse voorzitterschap van de EU, is een feest van compromissen. De nominaties overziend, braaf verdeeld over zoveel mogelijk landen, kan men zich moeilijk aan die indruk onttrekken. Zelfs de onvermijdelijke keuze van Dancer in the Dark van de Deense regisseur Lars von Trier als de beste Europese film van het jaar 2000 (tevens publieksprijs), wordt geheel in stijl verzacht door het feit, dat het een Deens/Zweedse/Franse productie betreft. Maar hoofdrolspeelster Björk, door zowel het publiek als de Academy onderscheiden als beste actrice, is IJslands, evenals Ingvar Sigurdsson, die door het publiek als beste acteur aangewezen werd.

Gelukkig onderscheidde de Academy zelf de Catalaan Sergi Lopez als beste acteur, voor zijn rol in de Franse productie Harry, un ami qui vous veut du bien, van regisseur Dominik Moll. De scenario-prijs ging naar het Franse duo Agnès Jaoui en Jean-Pierre Bacri (Le Gout des Autres) en die voor het beste camerawerk naar de Spanjaard Vittorio Storaro (Goya En Burdeos van Carlos Saura). Voorts werden onder meer onderscheiden: de Française Agnès Varda voor haar documentaire Les Glaneurs et la Glaneuse, de Hongaarse Livia Gyarmathy voor haar korte film A Mi Gólyánk, de Britse veteraan Richard Harris met de lifetime achievement-prijs en de Fransman Jean Reno met de achievement in world cinema-prijs.

De andere winnaar van de laatste prijs, de Italiaan Roberto Begnini (La vita è bella) werd tijdens de ceremonie in het prestigieuze Palais de Chaillot, aan de voet van de Eiffeltoren, doodgezwegen. Reden: hij had op het allerlaatste moment afgebeld omdat zijn vader ziek was en deze prijs vereist de aanwezigheid van de bekroonde. Het is een geluk dat die regel kennelijk niet geldt voor de andere prijzen, want ook Björk en Lars von Trier ontbraken op het feest dat vergeefs de glamour van de Oscar-uitreikingen in Hollywood trachtte te imiteren.

De uitreiking moet maar niet gezien worden als symbool van de Europese film en nog minder als antwoord op de Amerikaanse hegemonie in de sector, want het was een zielige vertoning. De ballerige ceremoniemeesters Rupert Everett en Antoine de Caunes droegen met hun zouteloze, ingestudeerde grappen in niet geringe mate bij aan de klungeligheid, net als de optredens van het ene na het andere would-be sterretje, een stoet anonimi, waarin uitgerekend de Amerikaanse acteur Harvey Keitel de uitzondering vormde. Onbegrijpelijk was, dat men ten minste Catherine Deneuve, als echte Europese vedette en als tegenspeelster van Björk, niet had weten te strikken. Op wat een sterrenparade wil zijn wordt een dergelijke omissie uiteraard niet goedgemaakt door de aanwezigheid van de Franse premier Lionel Jospin, diens minister voor Cultuur Catherine Tasca en haar Duitse collega Michael Naumann.

Op een de dag voor de uitreiking georganiseerd symposium, dat werd voorgezeten door de Duitse filmer Wim Wenders (Paris, Texas), was de stemming al niet anders. Even langdradige als obligate en, in het geval van de Zweedse actrice/regisseur Liv Ullmann, sentimentele praatjes (,,We hebben de film meer dan ooit nodig om te leren liefhebben'') stelden het geduld van de toehoorders zwaar op de proef. Het enige geslaagde onderdeel van de Academy-festiviteiten was de vertoning van de gerestaureerde stomme film Paris Qui Dort, van René Clair, uit 1925. Het is een ode aan de stad en met name het industriële staal van de Eiffeltoren, in de vorm van een grappig science fiction sprookje. Antonio Coppola had er prachtige, Schubert-achtige en live uitgevoerde muziek bij gecomponeerd. Het programma bewees, dat alleen een film recht kan doen aan de (Europese) filmkunst.