Cultuur van armoede

HUISHOUDENS IN NEDERLAND met een laag inkomen hebben minder vaak een auto en een personal computer dan andere inkomensgroepen. Ze geven relatief een groot deel van hun beperkte budget uit aan vaste (woon)lasten. Deze constatering, ontleend aan de vorige week verschenen `Armoedemonitor 2000' van het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek, geeft een beeld van het armoedevraagstuk in Nederland. Dankzij bijstand en specifieke regelingen is er in Nederland geen sprake van grootschalige schrijnende armoede, maar van groepen mensen die zich in een relatief gedepriveerde positie bevinden.

De omvang van deze groep neemt af. Zowel het percentage huishoudens met een laag inkomen als het aantal langdurig armen is sinds midden jaren negentig gedaald. Dat is deels te danken aan gericht beleid — met name de verhoging van de ouderenaftrek en het herstel van de koppeling van het sociale minimum aan de loonontwikkeling — en deels aan de gunstige economie. De dynamiek is aanzienlijk, de uitstroom uit de groep lage inkomens is groter dan de instroom. Het aantal huishoudens dat langdurig moet rondkomen van het sociaal minimum in Nederland bedraagt ongeveer 4 procent van het totale aantal huishoudens en het aantal huishoudens met een (ruimer) laag inkomen is gedaald van 15,6 procent (1996) naar 13,6 procent (schatting 2000). Minder mensen vinden zelf dat ze moeilijk kunnen rondkomen, het consumentenvertrouwen van arme mensen stijgt en de woonomstandigheden zijn over het algemeen redelijk. Uit Europese vergelijkingen blijkt dat Nederland, samen met Denemarken, het laagste percentage langdurig arme huishoudens telt, de helft vergeleken met Duitsland of Groot-Brittannië.

Al deze positieve ontwikkelingen weerspiegelen zich in het publieke discours: op de Armoedemonitor — en kort daarvoor de studie `Balans van het Armoedebeleid' met diepgravende beschrijvingen van de cultuur van de armoede in Nederland — is geen politieke verontwaardiging over maatschappelijke uitsluiting of schrijnende tweedeling gevolgd. In de algemene sfeer van zelfgenoegzaamheid geniet aandacht voor armoede geen grote prioriteit.

TEN ONRECHTE. Want uit beide rapporten blijkt dat armoede weliswaar afneemt, maar zich tegelijkertijd hardnekkiger voordoet in specifieke situaties. Armoede in Nederland ontgrijst (minder ouderen), vergroent (meer jongeren), feminiseert (meer vrouwen), verkleurt (meer allochtonen) en klustert zich (meer ruimtelijke segregatie). Niet-Westerse allochtone huishoudens hebben drie keer zo vaak een laag inkomen als autochtonen. Van de huishoudens uit niet-Westerse landen bevindt rond de 40 procent en van die uit vluchtelingenlanden zelfs meer dan de helft zich onder de lage inkomensgrens. Het aantal arme eenoudergezinnen met een vrouw aan het hoofd neemt alarmerend toe. In Den Haag en Rotterdam tellen bepaalde wijken tussen de 40 en 50 procent huishoudens met lage inkomens; in een aantal middelgrote en kleinere gemeenten doen zich percentages tussen de 25 en 40 procent voor. Niet alle huishoudens met een laag inkomen leven van een uitkering. Er begint een groep laag opgeleide mensen met een baan te ontstaan die er niet in slagen om boven de armoedegrens uit te komen: de `werkende armen' zoals die uit de Verenigde Staten bekend zijn.

Dit alles wijst op een toenemende segregatie en concentratie van armoede. Dat kan de kiem vormen voor sociale problemen in de toekomst. Wil Nederland niet verrast worden door getto-achtige ontwikkelingen waarbij zoals in Derde-Wereldlanden een cultuur van de armoede ontstaat die overgedragen wordt van generatie op generatie, moet hier dringend grotere aandacht voor ontstaan.