Belgrado spreekt weer over militaire actie

De toekomstige premier van Servië, Zoran Djinjic, wil ,,een dag na de verkiezingen'' van 23 december militair optreden tegen Albanese rebellen in Zuid-Servië. Djindjic, momenteel tweede man van het bewind in Belgrado, werd gisteren echter direct teruggefloten door president Vojislav Koštunica.

Koštunica riep al zijn medewerkers op zich te onthouden van ,,het roeren van de oorlogstrom''. ,,Het is gevaarlijk en onverantwoordelijk om extremisme met extremisme te beantwoorden.'' Het conflict in Zuid-Servië moet ,,met diplomatieke actie'' worden opgelost. ,,Alle politici in het land moeten afzien van oorlogskreten'', aldus Koštunica. ,,We hebben het recht niet om oorlog te voeren in dit verpauperde land, waar de bevolking al is gedecimeerd door repressie, sancties en bommen.''

Djindjic – die vrijwel zeker na de verkiezingen van 23 december premier van Servië wordt – zei gisteren dat ,,we zo snel mogelijk moeten reageren'' op het geweld van de Albanese rebellen die de regio bij Kosovo willen voegen. Volgens Djindjic probeert de regering op dit moment internationale steun te vinden voor het voornemen, militair op te treden.

De Albanese rebellen die in het grensgebied met Kosovo opereren behoren tot een `Bevrijdingsleger' dat is gemodelleerd op het vroegere Kosovo Bevrijdingsleger UÇK en dat vanuit Kosovo wordt gesteund met wapens en manschappen. Het telt rond duizend man, volgens waarnemers vooral Kosovaren met een nostalgie naar de gewapende strijd. Ze maken met hun strijd gebruik van het feit dat Joegoslavië niet met zijn leger, speciale politie en zware wapens mag opereren in de gedemilitariseerde zone langs de grens en ze kunnen zich in die zone dus betrekkelijk ongehinderd bewegen.