Arminio: Händel over collaboratie en verzet

Uitvoeringen van opera's van Händel, zoals zaterdag Arminio in de Matinee, blijven zeldzaamheden. Admeto, in 1976 eveneens door Alan Curtis en Il Complesso Barocco concertant gebracht in het Amsterdamse Concertgebouw, ligt bijna nog vers in het geheugen! Maar dat wordt binnenkort anders. De Nederlandse Opera, die in de hele vorige eeuw slechts enkele Händels uitvoerde (Rodelinda, Giulio Cesare en Orlando), brengt Giulio Cesare in de herfst van volgend jaar in een enscenering van Karl-Ernst en Ursel Herrmann. Gerrit Timmers en Mirjam Koen van het Rotterdamse Onafhankelijk Toneel zullen een Händel-opera ensceneren. En ook artistiek leider Pierre Audi, die afgelopen zomer met enorm succes Händels Tamerlano regisseerde in het Zweedse baroktheatertje van Drottningholm, wil in Amsterdam een of meer Händels regisseren.

Ook in Händels tijd was een Händel-opera geen vanzelfsprekend succes. Arminio was in 1737 in Londen alweer zó'n flop dat Christopher Hogwood het werk slechts twee keer terloops noemt in zijn Händelbiografie. Niet zozeer de lengte is bij Händels opera's een probleem (Arminio duurde inclusief twee pauzes drieëneenhalf uur) maar de sobere, strenge opbouw met vele solo-aria's. Die culmineren op zijn best pas tegen het slot in een enkel duet en een ensemble, zoals in dit late werk. Dat vereist een enscenering die het werk niet visueel opsiert en de conceptuele constructie ontkent, maar de verborgen dramatische kwaliteiten juist actief opspoort en fel uitlicht.

Een goede concertante Händel-uitvoering komt zelfs al enigszins in de buurt van het ideaal, al vereist dat, bijvoorbeeld met boventitels, een betere mogelijkheid voor het publiek om handeling en tekst woord voor woord te kunnen volgen dan nu in de Matinee het geval was. Maar er werd zaterdag her en der door de solisten ook wat `geacteerd' door zich lopend en met gebaar met elkaar te verstaan. En de countertenor Sytse Buwalda leek met zijn zeer lange krulhaar wel een incarnatie van de bepruikte Händel, alsof de componist, net als Alfred Hitchcock in zijn films, zelf een rolletje speelde in zijn eigen opera.

Het onderwerp van Arminio, in 1808 door Heinrich von Kleist behandeld in Die Hermansschlacht, is voor een stevige theateravond ook nu nog interessant genoeg. Het verhaal speelt zich af tegen de achtergrond van de legendarische veldslag van de Germanen tegen de Romeinen in september van het jaar 9. Arminius (door de Duitsers later Herman genoemd) versloeg op verpletterende wijze in Westfalen de Romeinen onder Publius Quinctilius Varus. Het was een traumatische nederlaag als van de Verenigde Staten in Vietnam. De Rijn bleef de grensrivier van het Romeinse rijk, dat tot de Elbe had moeten worden uitgebreid. Drie legioenen werden vernietigd en Varus pleegde zelfmoord. Tevergeefs jammerde keizer Augustus in Rome: ,,Varus, Varus, geef mij mijn legioenen terug.''

Arminio is een complexe opera over collaboratie en verzet, al wordt de historie niet trouw gevolgd en zijn de liefdesverwikkelingen tussen Varus en Arminius' vrouw Tusnelda verzonnen door librettist Lucio Salvi. Arminius (Herman) werd opgevoed in Rome, was onder Tiberius officier van de Germaanse hulptroepen, kreeg het Romeinse burgerschap en werd zelfs geridderd. Uiteindelijk keert Arminius zich in zijn vaderland met militair succes tegen de Romeinen.

In de opera blijft Arminius' Germaanse schoonvader Segeste de Romeinen trouw en smeedt samen met Varus een plan om Arminius te executeren. Varus zwicht uiteindelijk voor de door hem beminde Tusnelda en laat Arminius in leven. Hij sterft strijdend op het slagveld, niet door zelfmoord. Net als bij Tamerlano, is het slot van Arminio uiterst dubbelzinnig en leent zich voor een treffende wringende en wrange enscenering. Zo krijgt de snevende Varus (Varo in de opera) een edele rol toebedeeld, terwijl de triomferende Germanen worden gekarakteriseerd als onbetrouwbare overlopers. De historische Arminius kreeg later tirannieke neigingen en werd tien jaar na de Hermansschlacht bij een opstand in zijn eigen stam vermoord. Maar zover gaat het operaverhaal niet.

Arminio werd pas in 1972 opnieuw in Londen uitgevoerd en ging in Amsterdam als onderdeel van een derde serie voorstellingen onder leiding van Alan Curtis, die het werk in een eigen nieuwe editie eerder in Italië en Zwitserland uitvoerde. Met een deels andere cast maakte hij een cd-opname die de komende zomer bij EMI verschijnt. Curtis, een klavecimbelleerling van Gustav Leonhardt die nu optrad als dirigent en continuo-klavecinist, is een specialist op dit gebied: hij gaf uitvoeringen van tal van `herontdekte' opera's uit de 17de en de 18de eeuw. Maar zijn al te keurige uitvoeringsstijl is inmiddels authenticiteit `oude stijl'. Dirigenten als Koopman, Christie, Rousset en Minkowski dirigeren met meer temperament, instrumentale kleur en pregnanter dramatiek.

Die bleekheid van Curtis had ook invloed op de vocale prestaties. De titelrol was weinig markant, hoewel mezzosopraan Vivica Genaux een heel wat donkerder, zelfs duisterder kant van haar timbre inzette dan de afgelopen maand in het Muziektheater als Rosina in Rossini's Il barbiere di Siviglia. Zeldzame hoogtepunten waren enkele aria's van de sopranen in de tweede acte. Dominique Labelle (Sigismondo, een travestierol) fascineerde in Quella fiamma – een duet met de hobo – en Geraldine McGreevy (Tusnelda) zong een fijnzinnig, etherisch en onthecht Rendimi il dolce sposo.

Sytse Buwalda (Tullio) oogstte met zijn wonderlijk lichte stemgeluid succes in enkele gaaf en gemakkelijk gezongen aria's. Luigi Petroni kon als Varo geen enkele indruk maken – hier vielen opera anno 2000 en historie anno 9 volledig samen.

Radio 4 zendt 6/12 20.02 uur de opname uit.