Aan de kant, ouwe zak!

Ik droomde dat ik als 007 Sean Connery moest vervangen tijdens de opnamedagen van From Russia With Love.

Ik moest uit een brandende straaljager duiken en met een grijns op mijn onverstoorbaar smoelwerk over de koppen van een stel schuimbekkende rottweilers springen en stond weldra oog in oog met Lotte Lenya.

Toen ze probeerde met vlijmscherpe stiletto's, die uit haar gepantserde damesmolières naar buiten schoten, me een trap in de richting van mijn kruis te verkopen, werd ik wakker.

Bons, plof, bons klonk het buiten mijn droom ergens beneden. Ik ben meteen klaarwakker. Als een insluiper door je huis waart, merk je dat direct. Hier is niks, zomaar bij stil weer, omgevallen. Hier is een inbreker aan het werk. Dat hij niet op zoek is naar goud en geld is natuurlijk duidelijk. Nee, die aast naar het typoscript van mijn vandaag voltooide roman die ik morgen bij mijn uitgever ga inleveren. Dat hij gewapend is met een uzi die met gemak duizend bullets per minuut kan uitspuwen, daaraan twijfel ik niet, met Sean Connery nog in mijn adrenaline. Er wordt tegenwoordig zoveel gerommeld in de uitgeverswereld, dat je heus niet hoeft op te kijken dat het hier om een huurmoordenaar gaat.

Ik ben laf, maar niet bang. Ik haat nachtkleding. Er moet hier ergens een klauwhamer liggen waarmee ik vanmiddag een hartelijke, weerloze stoel grondig heb verpest. Met die hamer ga ik hem de hersens inslaan. Op handen en voeten tast ik de vloer af. Ik heb hem. Vooruit, die vent beneden laat geen seconde onbenut. Bovenaan de trap naar mijn werkkamer kijk ik in het halfduister voor ik afdaal nog even in de gangspiegel. Voorwaar een indrukwekkende verschijning. Geheel naakt met mijn honderd kilo schoon aan de haak, kan ik de vergelijking met Hercules zonder moeite doorstaan. Ik zwaai met de hamer boven mijn hoofd en laat mijn stentorstem schallen: ,,Kom tevoorschijn. Ik heb je gezien. Geef je over, de politie is al gewaarschuwd, het huis is omsingeld. Elk verzet is nutteloos. Nou? Komt er nog wat van?''

Omdat hier in huis altijd alles stuk is, valt de hamerkop van zijn steel hobbeldebobbel van de trap. Dat is dan ook het enige geluid. Verder blijft alles stil. Ik moet nu geruisloos naderbij sluipen. Hoe doet Sean dat nu ook weer? Je voortbewegen terwijl niets je ontgaat? Precies, zo dicht mogelijk langs de wand. Met de afgekloven hamersteel boven mijn hoofd daal ik voetje voor voetje de trap af. Hand voor de tere delen, je weet het maar nooit.

Hou het losse traproetje in de gaten, Sean. Te laat. Met een schreeuw stort ik de afgrond in en lig hulpeloos beneden. Ik steek mijn handen omhoog. ,,Ik geef me over.'' Ik werp mijn nutteloze wapen in een hoek en tref natuurlijk het enige kostbare familiestuk in huis, een delftsblauwe vaas. In gruzelementen.

Stilte. Ik waag het erop en doe het licht aan. Naast mijn Gabriele Triumph, een afbetalinkje uit 1967, ligt onaangeroerd mijn manuscript. Onder de voordeur op de mat vind ik een stevig, zwaar pak in sinterklaaspapier. Aan een raffiakoord hangt een brief met een groot hart erop getekend.

Voor mij! Niks insluiper. Voor mij, een liefdescadeau voor Sinterklaas. Zie je wel dat ze je niet kan vergeten? Zie je wel dat ze nog steeds gek op me is, als altijd en voor eeuwig? Begrijp je het nu dat ze de hele nacht niet kon slapen omdat ze aan jou dacht? Aan jou, aan jou en alleen aan jou?

Door nacht en ontij is die lieverd naar mijn brievenbus komen snellen. Terwijl ze nog geen week geleden met een dubbele longontsteking in bed lag met eenenveertig graden koorts. Logisch dat een mens dan wat prikkelbaar is. En ik maar vitten en ruzie maken. Mannen zijn wreed. Egoïstisch en afgestompt. Het is de hele dag: ik, ik en nog eens ik. Nee, dan mijn schatteboutje, dat met gevaar voor eigen leven door het donkere, misdadige Amsterdam naar me toe komt.

Met mijn knieën op de harde deurmat pink ik bijna een traantje weg ter nagedachtenis aan Sint Nicolaas, onze vastberaden zeevaartheilige. De eerste keer dat we het met elkaar deden wisten we, omdat we aan elkaar waren toegewezen, niet precies hoe we er uitzagen. We lagen in de spaarzaam verlichte berging in de gang bij nette mensen die ons hadden gehuurd. Het was meer oerinstinct en tastzin, wat ons in beweging bracht. We moesten terdege oppassen dat we niet te ver gingen. Nee, niet wat onze opwinding betrof; het ging om ons uiterlijk. Alles wat we op en aan hadden zat ons in de weg. Vooral zij was de meest besmettelijke van de twee. Ze was namelijk Zwarte Piet en ik Sinterklaas. Het speelde zich af tijdens een pauze van ons optreden bij de verwende kakkinderen van die keurige mensen. We stonden ons even later voor de spiegel in de wc te verdringen, maar er was geen fatsoeneren meer aan. Weg wezen.

Nou, van dat gedicht snap ik niet veel. Ze heeft het als misplaatste sinterklaasgrap door een ander laten opschrijven. ,,Al heb je dan een zoete snuit/ je werkt voor mij geliefde als een voorjaarskruid. / Je zaligdurende Astra/ (Die over je levensprocessen waakt als Al-Iksira.)''

En het monsterboek? Driehonderdzeventig oefeningen op weg naar je eigen astrale bewustwording.

Verrek, die met haar zogenaamde longontsteking maakt met mij op een schandalige manier de kachel aan. Omdat ik één keer met een kruidenbouillon uit de reformzaak van even verderop ben komen aanzetten waar we de poeperij van kregen...

Halfacht 's morgens. Het uitgeteerde lange mens van de gezondheidswinkel. Verwarring rond het cadeau. Zij woont op nummer elf en ik op nummer een. Foutje van een vriendin.

Nou, wat daar uit de taxi stapt met een zwart geverfde kop en een plaid over haar hoofd, is geen foutje. ,,Aan de kant, ouwe zak... Is je bed nog warm? Nee, niet zo onstuimig, denk aan je goeie goed. Ik kom bij je uitzieken!''