Suriname 1

Dat de ministers Den Uyl en Pronk binnen het kabinet de grote gangmakers voor de soevereiniteitsoverdracht zijn geweest (NRC Handelsblad, 25 november) kan geen onthullende krantenkop zijn: zelf hebben zij er nooit een geheim van gemaakt en eenieder die aandacht voor Suriname had, wist het. Niet hun dóórdrukken is sensationeel, maar het feit dat er nu klagende oud-ministers zouden zijn die zich op zo'n `historisch moment' hebben laten opzijdrukken.

Wonderlijk is ook dat de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Van der Stoel, zo weinig met Surinaamse zaken op had dat hij ook ná onafhankelijkheid zich persoonlijk nadrukkelijk afzijdig hield. Het waren de staatssecretaris (toen nog geen lid van het kabinet) en ambtenaren van zijn ministerie die aan de nieuwe relaties inhoud moesten geven.

Maar vanwaar nu bij de nabeschouwingen al die kuisheid, alsof toentertijd niet geheel Nederland, althans politiek Nederland en in het bijzonder de beide Kamers van ons parlement, erbij geweest zouden zijn? Gert Oostindie en Inge Klinkers hebben in hun artikel een goed feitelijk overzicht gegeven over het verloop van Surinames dekolonisaties. Maar er had nog wat bijzonders bijgekund. Namelijk dat Nederland, waar grondwetswijziging zonder ontbinding van de Staten-Generaal constitutioneel uitgesloten was, er aan heeft meegewerkt dat de grondvesten van Suriname werden gewijzigd zonder raadpleging van de Surinaamse kiezer.

De staatsrechtelijke mouw die in het koninkrijksverband daarvoor moest worden aangepast, was nodig omdat met zekerheid vaststond dat een meerderheid in Suriname, waarschijnlijk een zeer aanzienlijke, premier Arron en zijn partij zouden afvallen en tegen onafhankelijkheid zouden stemmen. Den Haag was er doodsbenauwd voor. Immers, niet Surinamers en Suriname stonden voorop, maar eigen wensen. Ik was er zowel voor als na 25 november 1975 en als dat historische momenten waren, dan waren die verre van fraai.