STAANDE GOLVEN CREËREN `DUINEN' IN ANTARCTICA

Op satellietopnamen van Oost-Antarctica zijn ribbelpatronen te zien die op duinenvelden lijken. De duinen hebben een hoogte van slechts enkele meters, een lengte tot bijna twee kilometer en liggen loodrecht op de richting van de heersende wind. Deze megaduinen lijken dus weinig op de bekende lengteduinen die door de verplaatsing van zand ontstaan, hoger en korter zijn en in de richting van de wind liggen. In de Geophysical Research Letters van 15 november suggereren Amerikaanse onderzoekers dat het hier gaat om een effect van staande golven in de lucht die over het sneeuwoppervlak stroomt.

De megaduinen werden in de jaren tachtig door de Amerikaanse geofysicus Charles Swithinbank ontdekt op opnamen van Landsat-satellieten. Swithinbank meende dat de patronen vanwege hun geringe hoogteverschillen vanaf het aardoppervlak moeilijk zouden zijn te zien en inderdaad hebben expedities die deze gebieden doorkruisten er nooit melding van gemaakt. Wel bleek uit hun waarnemingen dat in deze gebieden extreem weinig sneeuw valt (minder dan twee centimeter per jaar) en dat de gevallen sneeuw, door herhaaldelijk gedeeltelijk te ontdooien en te bevriezen, is veranderd in korrels (firn) die soms meer dan één centimeter groot zijn.

Nieuwe satellietwaarnemingen, onder andere met de Europese ERS-1 en ERS-2 radarsatellieten, hebben nu aan het licht gebracht dat de megaduinen op Oost-Antarctica een gebied van meer dan een half miljoen vierkante kilometer beslaan. Uit de opnamen kan ook worden afgeleid dat de firnkorrels aan de kant van een duin waar de wind op staat (loefzijde) een andere grootte hebben dan die aan de lijzijde. Gezien de extreem geringe glooiing van deze duinen is het hoogst onwaarschijnlijk dat deze verschillen een gevolg zijn van het transport van sneeuw door de wind, zoals bij het ontstaan van zandduinen. Er moet iets anders aan de hand zijn.

De onderzoekers wijzen er op dat in dit gebied gedurende een groot deel van het jaar als gevolg van stralingsafkoeling vlak boven het oppervlak een sterke temperatuurgradiënt heerst. Over het oppervlak ligt een dunne deken van zeer koude lucht. Door de vaak constant uit één richting waaiende wind zouden hierin staande golven kunnen ontstaan, die op regelmatige afstanden ietwat warmere lucht aan het oppervlak brengen. Op die plekken zou rekristallisatie en korrelgroei kunnen optreden en onstaan megaduinen.