Sint-Juttemis

Over de sinten in onze taal is bij mijn weten maar weinig geschreven. Terwijl het er toch zoveel zijn. In onze woordenboeken zijn honderden woorden en uitdrukkingen te vinden die om de een of andere reden iets met een heilige te maken hebben. Zo is het sint-janskruid genoemd naar Sint-Jan of Sint-Johannes, omdat dit kruid omstreeks 24 juni, de naamdag van Johannes de Doper, in volle bloei staat. Rond die tijd vliegt ook een kevertje uit, dat daarom johanneskever is genoemd. De maatjespeer, een verbastering van Sint-Maartenspeer, is naar Sint-Maarten genoemd omdat hij tegen 11 november rijp is, de naamdag van deze heilige, naar wie ook de sint-maartensgans is genoemd.

Zelf heb ik vooral een zwak voor zogenoemde niet-kalendarische heiligen, oftewel: verzonnen heiligen. Lang heeft men gedacht dat de oudste vuurtoren van Nederland, de Brandaris op Terschelling, zo heet naar een zekere Sint-Brandaris, tot men ontdekte dat die nooit heeft bestaan. Een cirkelvormig raam, door spaken als een wiel verdeeld, wordt een catharinavenster genoemd, omdat een Romeinse keizer de vrome en geleerde Catharina uit Alexandrië op zo'n rad wilde laten doodmartelen. De bliksem verbrijzelde het rad, maar Catharina werd wel onthoofd. De wielmakers en molenaars riepen Catharina uit tot hun beschermheilige en zij werd in oost en west vereerd. Tot Rome haar in 1969 van de lijst met heiligen schrapte omdat zij hoogstwaarschijnlijk nooit heeft bestaan.

Sint-Catharina en Sint-Brandaris is lang het voordeel van de twijfel gegund, maar dat geldt niet voor heiligen als Sint-Ariaan, Sint-Blijdert en Sint-Haringus (`de gecanoniseerde pekelharing'). Dergelijke heiligen zijn sinds de Middeleeuwen te vinden in Nederlandse kluchten, schelmenromans en gedichten. Ze hebben namen als Sint-Hebniet, Sint-Jammer, Sint-Luiaars, Sint-Mager, Sint-Niemand, Sinte-Patie (een woordspeling op sympathie) en Sint-Vreetop. Voor ons zijn die namen een beetje flauw, maar een paar eeuwen geleden, toen de macht van kerk veel groter was, was het heel wat om met heiligen te spotten. In het rasphuis in Amsterdam, een tuchthuis waar de kostgangers tropisch hardhout moesten raspen, riep men Sint-Raspinus tot heilige uit, de grappenmakers of uienboeren vereerden Sint-Juin ('Sint-Ui'), en in 1653 voerde Constantijn Huygens in de klucht Trijntje Cornelis een Sint-Peterselie op.

Van al die nep-heiligen zijn er nu nog maar weinig over. De nieuwste Van Dale vermeldt Sint-Bureaucratius, een niet-kalendarische heilige die regelmatig in Den Haag wordt gesignaleerd. Zelf ken ik Sint-Salarius (,,Wanneer krijg ik m'n geld?'' ,,Met Sint-Salarius'') maar die blijkt inmiddels zo obscuur dat hij zelfs op internet niet te vinden is.

Veel beter gaat het met Sint-Jutmis of Sint-Juttemis, de bekendste nepheilige. Deze sint is in 1577 voor het eerst opgetekend, maar waar hij precies vandaan komt is niet bekend. Men heeft pausin Johanna erbij gesleept, een legendarische figuur die in 855 als Johannes Anglicus tot paus gekozen zou zijn, omdat men niet doorhad dat zij een vrouw was. Dat is net zo'n onzin als de theorie dat Sint-Juttemis iets met de bewoners van Jutland te maken heeft. Sommigen houden het erop dat met Sint-Juttemis de gedenkdag van de heilige Judith wordt bedoeld, omdat in de Middeleeuwen `Jutte' de liefkozende vorm was van `Judith'. Haar gedenkdag valt op 17 augustus. ,,Met Sint-Juttemis'' betekent `nooit', en om dit nog duidelijker te maken wordt eraan toegevoegd ,,als de kalveren op het ijs dansen''. Dat kan zeker niet in augustus, zeggen de aanhangers van de Jutte-is-Judith-theorie, maar kalveren dansen sowieso niet, ook niet op ijs, dus houden anderen het erop dat Sint-Juttemis gewoon een niet-bestaande heilige is, net als Sint-Nimmermeer (,,Wanneer krijg ik dat?'' ,,Op de dag van Sint-Nimmermeer''). Voor de echte domoren bestonden de varianten: ,,Met de zomer, als de kalveren op het ijs dansen'' en ,,Met Sint-Juttemis, als men de muilezels melkt.''

Sint-Juttemis past wat dit betreft in een hele reeks oude uitdrukkingen, die allemaal `nooit, nimmer' betekenen. Voorbeelden zijn: als de katten ganzeneieren leggen; als je vingers even lang zullen zijn; als er twee (of: zeven) zondagen in de week komen; als Pasen en Pinksteren op één dag vallen; als Pasen op een maandag valt; met Joden-hemelvaart. Veel van die uitdrukkingen dateren uit de 17de en 18de eeuw. In Zuid-Nederland hadden ze nog een heleboel andere, zoals: als het geld regent en bonen waait; in het jaar één als de uilen preken; als de maan drie tuiten heeft.

Ook dat kon verdomd lang duren.

Reacties en aanvullingen per brief naar de redactie of naar sanders@nrc.nl