SEM PRESSER en de kunst van het wegkijken

'Een volmaakt zelfportret', zo noemt Arnon Grunberg de foto van Sem Presser als portier van het Carlton Hotel.

Het Joods Historisch Museum toont een overzicht van het werk van Presser, die een belangrijke rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling van de fotojournalistiek.

Dit is geen reclame voor spijkerbroeken. Hooguit reclame voor ijdelheid.

Meer nog dan romans, symfonieën, flatgebouwen van tachtig verdiepingen, veldslagen, cocktailjurken en literaire onderscheidingen zijn foto's het beste bewijs van wat de favoriete zonde van de duivel heet te zijn.

Vooral als er mensen op die foto's figureren.

De foto is ontmaskering en masker tegelijkertijd. De ijdelheid wordt van je gezicht gerukt en toch zijn haar slijmerige sporen nog duidelijk zichtbaar.

Neem Sem Pressers foto van Sophia Loren, Cannes 1959.

De mythe zit in de naam, in die twee woorden, Sophia Loren, niet in de foto. Die roept vooral vragen op die nog wel beantwoord kunnen worden.

Mythes moeten vragen oproepen die onbeantwoord blijven. Wat at ze voor het ontbijt? Liet ze zelf haar hond uit? Hoe vaak per dag ging ze in bad liggen en met wie?

De foto vraagt: wie is de vrouw in de bloemetjesjurk naast haar? Waarom is de man met de hoed niet wat blijer dat hij achter Sophia Loren mag staan? Waarom moet ze zelf haar jas dragen? Is dat een trouwring? Waar zijn de bodyguards, of waren dat in 1959 nog oudere heren met stropdassen en hoeden? En hoe lang houdt ze die bevroren glimlach nog vol?

De foto van twee Amerikaanse soldaten op het strand, Vietnam 1965, roept weer heel andere vragen op. Kan dit reclame voor spijkerbroeken zijn? Antwoord: Ja. Er hoeft niet veel aan de foto veranderd te worden, misschien helemaal niets. Je hebt alleen een pakkend onderschrift nodig.

Presser wist in 1965 waarschijnlijk nog niet dat oorlog reclame kan zijn voor spijkerbroeken, maar net als sommige boeken, zenden ook sommige foto's signalen uit naar de toekomst.

De oorlog is er, maar ook niet. Meer niet dan wel. Eigenlijk is het een foto van een leeg strand en twee spijkerbroeken. De rest is decor.

Zo aangenaam kan oorlog zijn, zegt die foto. Als je geluk hebt, is het een uitje.

Wie drama zoekt in de foto's van Sem Presser zoekt tevergeefs. En precies in die afwezigheid zit de tragedie. Het is er wel, het drama, op zijn minst is er een vermoeden van, maar het valt buiten het kader. Presser zag het misschien, maar hij besloot zijn lens ergens anders op te richten.

De fotograaf deed iets wat je niet van een fotograaf verwacht en wat toch zo verschrikkelijk menselijk is: hij keek weg.

Waarschijnlijk zit daarin de kracht van zijn werk. Je ziet hem doen wat jezelf gewend bent te doen, op het cruciale moment wegkijken. Maar Presser maakte er foto's van en wel op zo'n manier dat het wegkijken zelf zichtbaar wordt.

Er zit een merkwaardige foto bij van een portier van het Carlton Hotel in Cannes (1964). Merkwaardig, omdat die foto eigenlijk niet bij de rest hoort. Het is te duidelijk een geposeerd portret, de portier heeft de moeite genomen even stil te staan en recht in de lens te kijken.

Tot je het onderschrift leest. Dit is niet de portier van het Carlton Hotel, dit is de fotograaf, dit is Sem Presser zelf.

Eerst denk je aan een grap of een weddenschap. Want volgens zijn biografie heeft Presser nooit als portier van het Carlton Hotel gewerkt.

Een markant gezicht. De ijdelheid zelf is al vertrokken, maar haar geur kleeft nog aan de wangen.

Zo staar je naar de verklede fotograaf tot je opeens beseft dat je naar een 47-jarige man kijkt.

En dat klopt niet. Die ogen kloppen niet, die ogen horen niet bij die mond. Die ogen zijn de ogen van een kind. En dan weet je ook precies wat voor kind.

Het mooiste jongetje van de klas. Niet noodzakelijkerwijs het po pulairste, maar wel het mooiste jongetje. Een engelachtige verschijning. Iemand die nooit vies wordt, iemand die je niet hoort binnenkomen. Iemand, die als de juffrouw zegt, 'neem morgen wat van huis mee,' met een vlindernetje op de proppen komt. Niet omdat hij zo van vlinders of vlindernetjes houdt, maar omdat hij denkt dat het zo hoort. Omdat hij denkt dat het verstandig is een vlindernetje mee te nemen naar school.

Vanaf dat moment is die foto een volmaakt zelfportret.

Een portier doet niet anders dan wegkijken. Discretie is zijn fort. Hij ziet alles, maar hij onthoudt niets, of beter gezegd, hij doet alsof hij niets onthoudt.

En dan dat smetteloze witte uniform, die pet. Te mooi.

Hij heeft de groten der aarde voorbij zien komen, en geholpen met het dragen van hun koffers, hij heeft eigenlijk de hele wereld gezien, maar hij kan er niets over vertellen.

Weer kijk je naar die foto, en nu zie je het nog beter:

Presser kijkt je aan, maar hij ziet je niet. Dat is zijn truc om de wereld op afstand te houden. Hij heeft zichzelf niet onzichtbaar gemaakt, hij heeft jou onzichtbaar gemaakt.

De mensen die op Pressers foto's niets anders lijken te doen dan het najagen van wind, zijn nu zelf wind geworden. De wind die de draaideur van het Carlton Hotel veroorzaakt.

Hoe langer je naar die foto kijkt hoe gruwelijker hij wordt.

Omdat je in het gezicht kijkt van een man die de wereld effectief heeft buitengesloten. Hij ziet je niet, hooguit je bagage, en het enige wat hij wil weten is naar welke kamer de koffers moeten.

Tot mijn verbazing is mijn favoriete foto dan ook een foto waarop de mensen zijn verdwenen.

Ik dacht niet te houden van foto's waarop mensen zijn verdwenen.

Het is de foto van Ascona, Lago Maggiore.

De mensen zijn stipjes, poppen op zijn best. Je vraagt je af waarom die foto die zo dichtbij een ansichtkaart komt, toch geen ansichtkaart is geworden. Omdat het winter is? Om de mist die over het meer hangt? Omdat de bergen, in het echt in die buurt toch behoorlijk indrukwekkend, op molshoopjes lijken?

Omdat het een foto is van kale bomen die lange schaduwen werpen?

Dan bekijk je de andere foto's nog een keer, en het is alsof die ene foto van Ascona de andere foto's besmet. Alsof alle mensen die Presser fotografeerde van het begin af aan niets anders waren dan lange schaduwen. Alsof alles al vooruit wees naar Ascona, naar de boulevard van een badplaats in de winter. Alsof hij wist dat onze levens daarheen stromen, ondanks alle tentoonstellingen, prijzen, huwelijken, kinderen, circussen, operettes waarin je figureerde: Ascona in de winter. En wat over is zijn de bergen, het meer, en vooral een boulevard die bewandeld moet worden.

Nice, 1958, Quai des Etats-Unis. Nog een badplaats, nog een boulevard, alleen geen winter, misschien een zomeravond. Maar de lange schaduwen zijn er al.

Zo verkoos Presser ons te zien: lange schaduwen die wind na jagen.