Pijnlijk onderwerp

Een proefschrift met een gevoelig en pijnlijk onderwerp. Zelfs de meest wijduit zittende mannen slaan meteen de benen over elkaar als het ter sprake komt. Met het verbondsteken wordt in de joodse traditie de besnijdenis bedoeld, die God in het boek Genesis als teken van zijn verbond met Abraham op de achtste dag na de geboorte van alle joodse mannen verlangt. De grote religieuze betekenis van de besnijdenis blijkt in het Oude Testament ook uit het overdrachtelijke gebruik van het begrip. Zo wordt met de `besnijdenis van het hart' de bekering tot God bedoeld. Wie eenmaal weet dat de profeet Jeremia het volk verwijt dat het `onbesneden van oor' is – dus niet luistert naar Gods woord –, zal ook een diepere logica kunnen vermoeden in het wilde gebaar waarmee de domineeszoon Vincent van Gogh de dag voor Kerstmis 1888 zijn oor afsneed.

De besnijdenis mag dan door de profeten met enige graagte als krachtige metafoor in hun teksten gebruikt worden, de praktijk was beeldend in een heel andere zin. De voorschriften van Jahweh gingen niet verder dan dat iedere zoon op de achtste dag na de geboorte besneden diende te worden. Over het hoe en wat van de besnijdenis, berith mila in het Hebreeuws, vermeldt de tekst in Genesis niets. Oorspronkelijk ging het om het puntje van de voorhuid, maar om iedere verdoezeling van het jood-zijn te voorkomen (en in de geschiedenis van het joodse volk zijn er veel momenten geweest waarop het puur lijfsbehoud was niet als jood herkenbaar te zijn), werd het gebruik de hele voorhuid te verwijderen. Meer omstreden gebleven is het gebruik dat de mohel, de rituele besnijder, de wond ook uitzoog. In de negentiende eeuw werd dit in een aantal landen ook uitdrukkelijk verboden uit bezorgdheid over het overdragen van infecties op een pasgeboren kind.

Het proefschrift van Mary van Veen-Viëtor is geen geschiedenis van de besnijdenis, het is een cultuursociologische studie met veel aandacht voor de betekenis die het vasthouden aan het besnijdenisritueel heeft voor de joodse gemeenschap. Het verbondsteken ziet zij als een groepsteken, waaraan in verschillende situaties zowel vaste als wisselende betekenissen worden toegekend. In de huidige, vaak opvallend sterk `gender'-bepaalde keuze van thema's van onderzoek is het misschien verrassend dat juist een vrouw zich met mannenbesnijdenis bezighoudt. De aanleiding was echter toch een `vrouwelijke': de heftige discussie in Nederland over het al dan niet accepteren van de besnijdenis van vrouwen, zoals die in sommige delen van Afrika gebruikelijk was en is. De algemene opvatting in Nederland is dat dit een volstrekt verwerpelijke praktijk is, die niet met de mantel van de cultuurrelativistische liefde bedekt mag worden. Een enkele keer raakte de discussie aan de mannenbesnijdenis, maar dan bleef het meestal toch bij de constatering dat het bij mannen toch om een kleine ingreep gaat, die hun seksuele vrijheid en plezier niet beperkt en zelfs duidelijk hygiënische en medische voordelen heeft.

Mary van Veen vond dat allemaal wat al te gemakkelijke conclusies en is zelf op zoek gegaan. Haar aanpak is breed, op een manier die goed past bij haar eigen opleidingsgeschiedenis: ze heeft theologie gestudeerd, is daarna socioloog geworden en vervolgens nog psychotherapeut. Het maakt haar proefschrift methodologisch niet sterk, maar wel boeiend , duidelijk geschreven door iemand die gewend is in maatschappelijke verschillen verschillende betekenislagen te onderkennen.

Je staat er eigenlijk nooit bij stil, maar de besnijdenis is toch een van de weinige religieuze rituelen met inmiddels al een ononderbroken geschiedenis van zeker 3000 jaar. Als ritueel en symbool heeft het nog niets aan kracht ingeboet, integendeel, het is ook voor niet-religieuze joden bij uitstek de bevestiging en erkenning geworden deel uit te maken van de eigen groep. In de hellenistische periode dreigde door de culturele assimilatie de besnijdenis te verdwijnen – ook toen al werden pogingen gedaan de voorhuid te herstellen of van de besnijdenis vooral een medisch-hygiënische ingreep te maken –, maar uiteindelijk delfden de hellenisten politiek en cultureel het onderspit en werd het religieuze verbondsteken het onderscheidende kenmerk van het joodse volk. In de achttiende en negentiende eeuw wordt het in Duitsland niet alleen een teken van zelfonderscheiding, maar ook een verplichting van de zijde van de overheid, die alleen nog de keuze tussen doop en besnijdenis accepteerde en niets daarbuiten.

In de geschiedenis van de joden in Duitsland in die tijd speelt de besnijdenis een grote rol. Een groeiende groep joden wees de besnijdenis op medische (gevaar voor infecties en ernstige bloedingen) gronden af, anderen voelden zich niet meer zo sterk met de eigen groep verbonden dat ze de handhaving van een dergelijk onuitwisbaar teken op prijs stelden. Niet onbelangrijk in dit verband was ook de neiging om het geloofsleven een meer verinnerlijkt karakter te geven en ook in zijn uiterlijkheden meer aan te passen aan de ingetogenheid die voor de Duitse protestanten gewoon was. Hoewel velen ook uit angst voor discriminatie de besnijdenis afwezen, vreesden anderen juist dat door het opgeven van de besnijdenis het besef van de eenheid van het joodse volk verloren zou gaan. In de twintigste eeuw kregen beide standpunten op een tragische manier het gelijk aan hun kant.

In Nederland is de besnijdenis in de twintigste eeuw een algemene praktijk gebleven, ook onder joden die zich verder absoluut niet als religieus en in veel opzichten ook niet als joods beschouwden. In de jaren dertig lag in Amsterdam het percentage joodse jongens dat niet besneden werd, ruim onder de tien. Veel discussie was er niet over, niet in joodse kring, maar ook niet daarbuiten. Katholieken werden gedoopt en gevormd, joodse jongens werden besneden – zo was het gewoon en zo wilde men het zelf. Dat laatste overigens toch wel in sterke mate. Mary van Veen laat er weinig twijfel over bestaan dat de sociale druk om een zoon te laten besnijden uitermate dwingend was. Dat is wel wat minder geworden, maar er lijkt wel sprake van een toename van het aantal besnijdenissen als bewuste en persoonlijke keuze, van de ouders wel te verstaan. Opvallend vaak worden dan medisch-hygiënische argumenten gebruikt om de beslissing te rechtvaardigen.

Dat argument brengt Van Veen naar de Verenigde Staten, waar besnijdenis vrijwel direct na de geboorte algemeen gangbaar is. `Universele circumcisie als sanitaire maatregel' werd in de loop van de twintigste eeuw een dogma in de Amerikaanse gezondheidszorg. Circumcisie, uiteraard uitgevoerd door een gekwalificeerde medicus en niet door een rituele besnijder, zou beschermen tegen geslachtsziekten, masturbatie, urineweginfecties en zelfs aids. Deugdelijke bewijzen daarvoor zijn nooit geleverd en Mary van Veen wijst er ook op dat met de tijd ook de aandoeningen veranderen waar een besnijdenis preventief op zou kunnen werken. Vanuit een psychodynamisch gezichtspunt ziet zij het besnijdingsenthousiasme vooral als een uitdrukking van het aloude Amerikaanse streven naar lichamelijke en geestelijke reinheid. Voor Amerikanen is de besnijdenis geen verbondsteken, maar wel een groepsteken – het onderscheidt de schone, jonge en beschaafde Amerikanen van alles wat vies, oud (Europa) en wild is. De dominante invloed van de Amerikanen in de media en de wetenschap heeft er wel toe geleid dat de besneden penis inmiddels internationaal wel de visuele norm is geworden. De voorhuid is een zeldzaam verschijnsel geworden in medische handboeken, maar ook in de pornografie. Amerika zou overigens Amerika niet zijn, wanneer niet juist de `uncut male' (met voorhuid dus) weer het onderwerp van mythevorming zou worden en uiteraard een gezochte partner in contactadvertenties.

Inmiddels woedt in de Verenigde Staten een discussie – ook op internet – over zin en onzin van de besnijdenis als preventieve maatregel. Mary van Veen twijfelt er niet aan dat we hier te doen hebben met een medische mythe, die bij empirisch onderzoek geen stand houdt. In het slothoofdstuk wordt ook impliciet wel duidelijk dat zij het verschil tussen de besnijdenis van mannen en vrouwen helemaal niet zo groot vindt. Daarbij past dat zij aanbeveelt bij de rituele besnijdenis terug te keren naar de oorspronkelijke vorm, de besnijdenis van alleen het topje van de voorhuid (milah) en niet van de voorhuid als geheel (periah). Ik denk niet dat haar advies veel kans maakt. Het blijft een gevoelig onderwerp.

Mary van Veen-Viëtor: Het verbondsteken. Delft, Eburon, 203 blz. Rijksuniversiteit Leiden, 16 november 2000. promotor: Prof.dr. H.P.J. Stroeken

    • Paul Schnabel