Pam Emmerik over DE BLAUWE GITAAR

In een gedicht van Wallace Stevens komt een man met een blauwe gitaar voor. Hij maakt rare muziek. De toehoorders beklagen zich bij hem: 'You have a blue gitar/ You don't play things as they are'. De man antwoordt zelfverzekerd: 'Things as they are/ Are changed upon a blue gitar', maar de mensen zijn niet overtuigd, ze staan erop dat hij een liedje speelt 'Of things exactly as they are'. De eerste keer dat ik het gedicht las, trof het me als een blauwe vuistslag. In een paar laconieke zinnen laat Stevens het eeuwige conflict zien tussen een kunstenaar, die experimenteert, naar iets nieuws zoekt, en zijn publiek, dat geruststelling verwacht, herkenning eist.

En ik ben niet de enige die ooit sterretjes gezien heeft bij het lezen van dit gedicht, Anna Tilroe gaf haar eerste bundel essays over moderne kunst zelfs De blauwe gitaar als titel mee.

Toen ik dan ook op een dag een blauwe gitaar in een winkel tegenkwam, kocht ik hem meteen, om de herinnering aan het gedicht tastbaar te maken. Thuis blies ik hem op. Het was namelijk een luchtgitaar. Je kon ermee gaan zwemmen.

Op het moment dat ik de vorige zin intikte, drongen twee associaties zich aan me op. En ik leef bij de gratie van associaties. De eerste was het gedicht Not waving but drowning van Stevie Smith waarin een man in zee verdrinkt omdat de toeschouwers op het strand denken dat hij naar ze wuift, in plaats van dat hij om hulp gebaart. Een misverstand, treurig en grappig tegelijk. De tweede was de video van Gillian Wearing waarin ze een aantal mensen gefilmd heeft die zonder instrument met hun favoriete muziek meespelen, 'luchtgitaar' spelen dus. In de beslotenheid van hun eigen huis laten ze zich ongegeneerd gaan, een hilarisch gezicht.

Jaar in jaar uit stond de blauwe gitaar in de hoek van mijn atelier, ik keek er elke dag even naar. En als alles misging (kunst maken is moeilijk) pakte ik hem op, ging voor de spiegel staan en deed alsof ik speelde. Yeah, yeah, yeah! De dingen moesten en zouden veranderen. Ik had immers een blauwe luchtgitaar. Als een drenkeling klampte ik me aan ding en gedachte vast.

In mijn hart - dom, rood ding - heb ik altijd muzikant willen worden, liefst zanger, met de intensiteit van Jacques Brel. Zingend wat in mijn getormenteerde gemoed trilde en beefde de wereld inslingeren. Maar daar heb ik geen talent voor, geen enkel. Gelukkig kan ik wel andere dingen de wereld in slingeren. Tekeningen. Verhalen. (Mislukte pannenkoeken? Bananenyoghurt?) En als ik ze maak, draai ik altijd muziek, bijna altijd popmuziek. In de tijd dat ik dit intik, heb ik John Cale gedraaid, Linton Kwesi Johnsons Independent Intavenshan, Marvin Gayes Chained, de Talking Heads met Slippery People, Underworld, dEUS, Ethiopische popmuziek uit de jaren zeventig, de bitterzoete Kossov Sisters en PJ Harvey. Na een paar nummers sta ik op en zet iets anders op, ik ben mijn eigen diskjockey. Uit noodzaak. In 1993 kreeg ik een ongeluk, sindsdien willen mijn gewrichten weinig. Dus werk ik kort en draai veel muziek, om toch ritme, tempo te houden. Tijdens de pauzes loop ik heen en weer om mijn concentratie niet te verliezen. Die werkwijze heeft consequenties voor de vorm van mijn teksten. De muziek verbindt mijn gedachten aan woorden. Daarom luistert de keuze van de muziek ook nauw, één verkeerd nummer en ik word uit mijn concentratie geslingerd.

Zo wordt schrijven een soort zingen. Neem het begin van dit hoofdstuk uit Het bottenpaleis: 'Stel je Jezus op slangenleren laarzen voor. Maar dan groter. Zonder baard, veel blonder en stukken knapper, met een gespierd lijf in een strakke donkerblauwe spijkerbroek en een glimlach om zijn lippen, een heldere oogopslag, soepele pas, iemand die alle stoplichten op groen doet springen, die vogels het bos uit lokt, cake doet rijzen, vrouwen laat blozen, mooi weer kan voorspellen, auto's als vanzelf uitdeukt en bejaarden van de verkeersdood redt. Zo iemand is Felix.' Hier spreekt Isabel, die hysterisch verliefd is op Felix, en ik, met haar, ben ook verliefd. Niet op Felix want die bestaat niet. Zijn ledematen zijn van letters. Ik laat me niet door hem meeslepen maar door de taal. Felix is slechts een visioen, opgebouwd uit woorden, ritme, de verlangende harteklop van de schrijver. En dat ben ik en schrijven is nog veel mooier dan zingen.

Pam Emmerik is schrijver en beeldend kunstenaar. Ze schrijft essays voor het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad.

Haar laatste boek Het bottenpaleis verscheen twee maanden geleden bij uitgeverij Querido.

Illustratie Pam Emmerik