Ook bedrijven hebben plichten

Er bestaat een aansprakelijkheidslancune in de economie: als een onderneming schade veroorzaakt, gebeurt er vrijwel niets. Het wordt tijd dat bedrijven zich aan dezelfde morele wetten houden als die welke gelden in het menselijk verkeer, meent Jurriaan Kamp.

Bijna driekwart van de wereldhandel is in handen van 500 bedrijven. Allemaal beursgenoteerde bedrijven die een beperkte aansprakelijkheid genieten. Die bedrijven worden steeds groter en steeds machtiger. Ondernemingen bedienen processen die generaties kunnen beïnvloeden. Farmaceutische fabrikanten kunnen – in hun streven naar groei, winst en een hogere beurskoers – producten op de markt brengen die over honderd jaar nog gevolgen hebben. Tankers met olie of chemicaliën kunnen natuurgebieden voor tientallen jaren verwoesten. Kerncentrales en chemie-industrie in de buurt van steden. De lijst van potentiële ongelukken is lang, de verantwoordelijkheden dus groot. Maar wie draagt die verantwoordelijkheid?

Er bestaat een enorme aansprakelijkheidslacune in de economie. Als een onderneming schade veroorzaakt, gebeurt er vrijwel niets. Misschien wordt het bedrijf veroordeeld tot het betalen van een boete – mogelijk een gigantische boete. Misschien krijgt het te kampen met een boycot van consumenten. Aandeelhouders zullen koersverlies lijden en hun aandelen waarschijnlijk verkopen. En ook al kunnen commissarissen en directeuren tegenwoordig worden vervolgd voor wanbeleid, in de praktijk komen zulke procedures zelden voor. Meestal vertrekt de top van een onderneming na een debacle simpelweg naar een nieuw bedrijf. De samenleving, het publiek blijft met de schade zitten en het bedrijf gaat onder een nieuwe leiding gewoon verder met zijn activiteiten.

Is het niet vreemd, dat de aandeelhouders – formeel de eigenaren van een bedrijf – niet medeaansprakelijk zijn voor het beleid van die onderneming? Gaat met het verschaffen van kapitaal niet ook verantwoordelijkheid gepaard? Of geeft een aandeel alleen maar recht op dividend? Als het goed gaat met een onderneming kan de aandeelhouder in het beurscasino vele malen zijn inleg terugkrijgen, maar als die onderneming de samenleving grote schade toebrengt, kan de aandeelhouder maximaal zijn inleg verliezen. Is dat niet onevenwichtig, gezien de grote invloed die het functioneren van bedrijven heeft op de gemeenschap?

Aandeelhouders klagen vaak over het gebrek aan macht dat zij hebben. In Nederland staan allerlei wettelijke voorzieningen – beschermingsconstructies en structuurregimes – de invloed van de aandeelhouder op het beleid van de onderneming in de weg. Een falend management kan in Nederland niet door de aandeelhouders worden gedwongen om op te stappen. Beleggers zijn ervan overtuigd dat die situatie een negatief effect heeft op de aandelenkoersen. Zij willen dus meer invloed – meer rechten – in de hoop dat dat hun aandelen meer waard zal maken. Maar zijn zij ook bereid meer verantwoordelijkheid te dragen?

De gebrekkige verantwoordelijkheid van de aandeelhouder van een vennootschap is historisch bepaald. Het archetype van de vennootschap is de Verenigde Oost-Indische Compagnie van 1602. Vóór de VOC gingen schulden – verantwoordelijkheden – van ondernemingen over van generatie op generatie. De beperkte aansprakelijkheid werd uitgevonden voor de ontdekking van de nieuwe wereld. Het initiatief om met houten zeilschepen specerijen uit Azië en Amerika te halen, ging met grote risico's gepaard. Financiers en hun families konden geruïneerd raken door omstandigheden – piraterij, noodweer – waarop zij geen enkele invloed hadden.

Daarom werd de beperkte aansprakelijkheid wettelijk geregeld: een financier kon nooit meer verliezen dan zijn investering. De staat kon een onderneming deze nieuwe vorm toekennen. Aanvankelijk werd daarover onderhandeld, waarbij bijvoorbeeld ook werd overeengekomen dat de staat een deel van de winst van de overneming zou krijgen. Van origine is de beperkte aansprakelijkheid dus een gunst die onder bepaalde voorwaarden werd verleend door de staat. Deze briljante vondst moedigde het nemen van risico aan en gaf de overzeese handel in de zeventiende eeuw een enorme impuls.

De handelslieden en hun juridische adviseurs van vierhonderd jaar geleden voorzagen grote schulden die zij niet konden terugbetalen. Dat was de maximale schade – de `plundering' van de nieuwe wereld gemakshalve niet meegerekend – waarvoor zij bescherming vroegen. Tegenwoordig zijn er veel meer belangen – milieu, volksgezondheid – in het geding. Niemand voorzag destijds de huidige situatie waarin de onderneming in potentie een van de meest gevaarlijke vormen van menselijke activiteit is geworden. Met andere woorden: de omstandigheden zijn ingrijpend gewijzigd maar de juridische ondernemingsvorm is dezelfde gebleven als in de zeventiende eeuw. Eigenlijk is het zelfs nog makkelijker geworden voor het bedrijfsleven: de voorlieden van de VOC moesten – in ruil voor een tegenprestatie – onderhandelen met de staat over de beperking van hun aansprakelijkheid. De moderne ondernemer stapt simpelweg naar de Kamer van Koophandel en vult een formulier in. Niemand ervaart, dat hem een recht wordt verleend als hij een BV opricht.

Door dat automatisme is een onderneming méér geworden dan een groep mensen die gezamenlijk een activiteit ontplooien. Het is een soort `sociale technologie' geworden met een eigen bestaan. Een onderneming kan voortbestaan als haar oprichters sterven. Directeuren gaan en komen en hetzelfde geldt voor werknemers. Via de beurs kan het eigendom van een onderneming diffuus en wijdvertakt raken. Onderdelen van een bedrijf kunnen worden verkocht. Bedrijven kunnen fuseren. Ondanks al die veranderingen `leeft' de onderneming door, zolang maar genoeg geld wordt verdiend om de uitgaven te betalen. Maar die zelfstandige onderneming heeft geen ziel en voelt geen pijn. Als een onderneming iets of iemand schade toebrengt, kan hij geen spijt tonen en sorry zeggen. De anomalie is dat een onderneming wél rechten heeft als een mens, maar niet de plichten.

Het bedrijfsleven verzet zich hevig tegen suggesties om ondernemingen aan meer controle te onderwerpen. Voortdurend wordt geklaagd, dat er al te veel regels en beperkingen zijn. Maar misschien is de vraag wel hoe het komt dat er zoveel regels zijn. Misschien is al die regelgeving wel veroorzaakt door het feit dat de onderneming in de samenleving geleidelijk aan een te machtig, ondemocratisch instituut is geworden, dat maar één officieel doel kent: winst maken. De werkelijkheid van de moderne onderneming vraagt om een aanpassing van de wettelijke aansprakelijkheidsregels. Het is toch vreemd dat een onderneming – als een groep mensen – minder verantwoordelijkheden draagt dan individuen onderling.

In de wet staat dat een onderneming door de rechter kan worden ontbonden als hij het algemeen belang schaadt, maar in de praktijk gebeurt dat niet – ondanks grote schandalen. Het merkwaardige is dat individuen die de wet overtreden in de gevangenis terecht kunnen komen, maar dat ondernemingen die de wet overtreden misschien een – vaak, o paradox, fiscaal aftrekbare – boete betalen maar overigens `op vrije voeten' blijven. Het moet veel eenvoudiger en vanzelfsprekender worden dat de gemeenschap een onderneming kan sluiten als deze de regels overtreedt en grove schade toebrengt aan de maatschappij. Hoe lang mogen sommige ondernemingen doorgaan met vervuilen, dumpen en beschadigen voordat zij worden opgeheven en hun bezittingen worden verkocht om uit de opbrengst bijvoorbeeld een schadevergoeding aan de gemeenschap te betalen?

En hoe zou de wereld van de beurs eruit zien als aandeelhouders weer persoonlijk aansprakelijk zouden zijn voor het beleid van de onderneming waarvan zij tenslotte mede-eigenaar zijn? Opheffing van de beperkte aansprakelijkheid is een drastische, maar uiterst effectieve stap op de weg naar een menselijker economie. In dat geval zouden aandeelhouders hun geld op de beurs zorgvuldig investeren in ondernemingen. Zij zouden niet alleen kijken naar hun winstgevendheid maar vooral ook naar de wijze waarop zij ondernemen. Zij zouden kiezen voor ondernemingen met een goede staat van dienst op het gebied van mens en natuur en voor bestuurders die integriteit uitstralen.

Opheffing van de beperkte aansprakelijkheid zou aandeelhouders dwingen verantwoordelijkheid te dragen voor de activiteiten van hun bedrijf. Mensen zouden weer verantwoordelijk zijn voor mensen. En de beurs zou geen casino meer zijn. Wie durft dan nog noodzakelijke, grootschalige investeringen met de daarbij horende grote risico's aan, zullen critici opwerpen. Dat is inderdaad de vraag. Maar misschien heeft de ervaring van de afgelopen eeuw wel geleerd, dat dergelijke grootschaligheid vrijwel garant staat voor ongewenste neveneffecten en misstanden.

Anders gezegd: als een onderneming te groot wordt voor menselijke verantwoordelijkheid, is zij in staat tot het aanrichten van onmenselijke schade. Hoeveel wij ook te danken hebben aan de briljante uitvinding van de VOC, dat is wel de werkelijkheid gebleken. Uiteindelijk is het toch niet meer dan gewoon dat bedrijven zich aan dezelfde morele wetten houden, als waaraan wij elkaar houden.

Jurriaan Kamp is hoofdredacteur van opinietijdschrift Ode. Bovenstaand artikel is een bewerking van een hoofdstuk uit het boek `Omdat mensen ertoe doen – Naar een economie van iedereen' dat op 1 december is verschenen bij uitgeverij Lemniscaat.