Meta-analyse van de gekke koe

Nu ontwikkelingen in gezondheidszorg en gentechnologie politici inhalen, is het voor de wetenschapsstudies hoog tijd zich op hun maatschappelijke taak te bezinnen.

`De BSE-crisis betekent voor de wetenschapsstudies tot nu toe vooral een gemiste kans'', zegt de Leidse wetenschapsfilosoof dr. James McAllister. ``Bij de gekkekoeienziekte is onze natuurwetenschappelijke kennis lang niet compleet. Het gevolg is dat deskundigen van mening verschillen, en politiek en maatschappij niet de precieze antwoorden krijgen die ze willen. In zo'n situatie is er ruimte voor een meta-analyse. Bij welk risico is iets nog acceptabel? Wat betekent het wanneer deskundigen het met elkaar oneens zijn? Hoe lossen ze een dispuut op? In Groot-Brittannië zag je een politicus zijn dochter een hamburger te eten geven, ten teken dat het vlees veilig was. Een pr-exercitie in de slechtst denkbare zin. Ook zweeg de Britse regering over kritische geluiden van onderzoekers uit Edinburgh over de gevaren van BSE. In dit soort situaties kunnen wetenschapsfilosofen, -historici en -sociologen een nuttige bijdrage aan het maatschappelijke debat leveren. Juist zij houden zich veelvuldig met controverses bezig en kunnen melden hoe het in andere gevallen is toegegaan.''

SYMPOSIUM

Maken wetenschapsstudies werk van hun maatschappelijke taak? Vorige week bezon een gezelschap wetenschapsfilosofen, -historici en -sociologen zich tijdens een symposium in de Utrechtse Faculty Club op hun rol in het publieke debat. Nu de natuurwetenschappen de samenleving steeds sterker beïnvloeden groeit bij politici, beleidsmakers en bestuurders de behoefte zich te laten voorlichten over de aard van de wetenschap en haar verbindingen met de maatschappij. Ook wil de mondige burger in een tijd waarin ontwikkelingen in de gezondheidszorg en gentechnologie de politici links en rechts inhalen weten hoe deze relatie ligt.

In zijn lezing op het symposium woog McAllister de status van wetenschapsstudies in zowel de samenleving, de natuurwetenschap als het onderwijs – om te constateren dat die op alle drie terreinen gering is. ``Bedrijven en rijksinstanties kloppen zelden bij ons aan voor advies'', aldus McAllister. ``Niet wij krijgen de vraag om de jongste ontwikkelingen in de wetenschap toe te lichten, maar de wetenschappers zelf. Dat is treurig want we hebben een eigen competentie. We zijn te weinig zichtbaar, uitgezonderd de medische ethiek, de milieu-ethiek, de grondslagen van de quantumtheorie en de filosofie van de biologie, publiceren we alleen voor collega-beoefenaren van wetenschapsstudies en buiten hen leest niemand ons. Ook de inbedding van in het onderwijs is niet optimaal. Cursussen wetenschapsstudies zijn niet verplicht en trekken, met uitzondering van Utrecht, weinig studenten.''

Natuurwetenschappers verwijten beoefenaren van wetenschapsstudies nogal eens een gebrek aan vakkennis: ze zouden de details onvoldoende beheersen om echt mee te kunnen praten. McAllister steekt de hand in eigen boezem. ``Vaak is de discussie intern gericht. Het conflict tussen de constructief-empiristen en realisten heeft wat mij betreft lang genoeg geduurd. En de constructivisten, volgens wie feiten achterafbedenksels zijn die in een sociale context tot stand komen, hebben door hun provocerende en speelse stijl – die aan de humaniora is ontleend – de natuurwetenschappers alleen maar tegen zich in het harnas gejaagd. Ook heeft ons werk politiek en maatschappelijk geringe implicaties. Ooit was dat anders. In de jaren dertig en vijftig golden wetenschapsstudies juist als een progressieve kracht. Denk aan mensen als Bernal en Needham, of aan Popper, Kuhn, Feyerabend en Merton. Hun werk werd gezien als een positieve bijdrage aan de nieuwe maatschappij. Waarom zou dat voor ons niet gelden?''

Ter verbetering van de toestand kwam McAllister op het Utrechtse symposium met drie voorstellen. Allereerst riep hij de wetenschapsfilosofen, -historici en -sociologen op om in het nieuwe academische bestel de schotten te verwijderen en met mastersprogramma's in de wetenschapsstudies te komen met flexibele toegangseisen – aan de Universiteit Twente gaat zo'n programma komend jaar van start. Verder stelde hij voor om beoefenaren van wetenschapsstudies een landelijke studiegroep te laten formeren die het probleem van de geringe aanwezigheid van vrouwen in de hogere academische regionen in Nederland zou moeten onderzoeken. Ook zou McAllister graag een `snelle reactie-eenheid' opgericht zien om de maatschappij bij belangrijke ontwikkelingen in de wetenschap van deskundige toelichting te voorzien.

De Twentse hoogleraar wetenschapsgeschiedenis Floris Cohen legde in Utrecht het accent op reflectie, historisering en op verantwoord heldendom. Wie voor zich kijkt ziet mist, terwijl het verleden achteraf kraakhelder lijkt. Het is, aldus Cohen, de taak van de historicus om van het verleden een reconstructie te maken inclusief die mist. Daarbij moet hij het grote publiek niet louter zijn helden ontnemen, maar tegenover de inmiddels terecht doorgeprikte mythen een nieuw heldendom stellen dat wel deugt. ``Ik heb mij geërgerd aan de opzet van NewMetropolis, tegenwoordig Nemo geheten, omdat het publiek er iets wezenlijks wordt onthouden'', aldus Cohen. ``Het Science Museum in Boston bijvoorbeeld weet wetenschap wél als spannend avontuur te brengen. De aantrekkingskracht op 15 tot 18-jarigen, die Amsterdam mist, is daar geen probleem.''

Collega Rob Visser, Teylers-hoogleraar aan de Universiteit Leiden, beaamde het belang van tentoonstellingen die de wetenschap in al haar verscheidenheid in een breed verhaal laten zien, inclusief mislukkingen. Visser memoreerde dat alle pogingen om de wetenschappelijke ongeletterdheid bij het grote publiek te bestrijden jammerlijk hadden gefaald. Inmiddels bestaat de nieuwste tactiek van politici, opvoeders en wetenschappers er in de mensen te laten zien hoe wetenschappelijke kennis in de praktijk tot stand komt. Visser: ``Wij wetenschapshistorici krijgen op een presenteerblad een functie van enig gewicht in de samenleving aangeboden.''

Die functie zou gestalte kunnen krijgen in het middelbaar onderwijs. Daar is het vak algemene natuurwetenschappen (ANW) in het leven geroepen om aan de hand van concrete voorbeelden uit afzonderlijke disciplines leerlingen aan te zetten tot reflectie op natuurwetenschappen in het algemeen: Hoe weet men wat waar is? Wanneer is iets bewezen? Mag alles wat kan? Mooie ideeën, maar de eerste generatie ANW-leerboeken is geschreven door docenten natuurkunde, scheikunde en biologie die de ene wetenschapshistorische blunder op de andere stapelen. Visser erkent overigens dat hij en zijn collega's zich te weinig hebben opgeworpen om aan kwaliteitsbewaking te doen. Een omissie die hij inmiddels hoopt te herstellen door het aanbieden van bijscholingscursussen voor ANW-leraren. Ook zou Visser graag zien dat wetenschapsstudies in de binnenkort te starten communicatie- en educatievariant van de vijfjarige bètaopleidingen een vaste plaats krijgen, ``om aankomende wetenschappers de intellectuele vaardigheden bij te brengen die nodig zijn om publieke functies te vervullen.''

MINDER SOMBER

Arie Rip, hoogleraar filosofie van wetenschap en techniek aan de Universiteit Twente (en voortgekomen uit de Wetenschap & Samenleving-beweging van de jaren zestig en zeventig), zag het in Utrecht allemaal minder somber. Als expert op het gebied van technology assessment, wetenschapsdynamica en wetenschaps- en techniekbeleid heeft hij over belangstelling van buiten niet te klagen. Zo was hij afgelopen oktober een van de sprekers op de EU-conferentie `Science & Governance in a Knowledge Society: The Challenge for Europe' – geldgenererende steekwoorden te over. Na alle schandalen met dioxinekippen en groeihormonen, de discussies rond klonen, het patenteren van genen en de opslag van radioactief afval, ging het in Brussel over besluitvormingsprocessen, het voorzorgprincipe bij risico's en adequate crisisbestrijding. ``Zowel Sir Robert May, president van de Royal Society, als Paul Johnstone van Greenpeace sprak daar'', aldus Rip. Zelf houdt hij zich op in het grijze gebied tussen onderzoek, reflectie en actie. ``Wetenschapsstudies kunnen helpen bij het beantwoorden van vragen als: Hoe neem je onrust weg? Hoe krijg je meer geld voor wetenschappelijk onderzoek? Interacties met Europese beleidsmakers kunnen positief uitwerken, het sijpelt door.''

Met uitzondering van Twente worden de wetenschapsfilosofie, -geschiedenis en -sociologie in Nederland nog altijd tamelijk geïsoleerd van elkaar beoefend. Ook speelt de vraag bij wie onderdak moet worden gezocht: de rijke bètafaculteiten of de arme alfa's. Meer cohesie en het bundelen van krachten, zo werd in Utrecht geopperd, zou de eigen positie binnen het academische bestel kunnen verstevigen én de zichtbaarheid in de maatschappij vergroten.