`MARMER VAN ELGIN MARBLES AFKOMSTIG UIT GROEVE IN PENTELIKON'

De Elgin Marbles, de beelden en tientallen meters lange reliëfs die het Parthenon in Athene versierden, zijn gemaakt van marmer dat een andere herkomst heeft dan het marmer waarmee het Parthenon zelf is bekleed. Dat kwam naar voren tijdens een lezing van Scott Pike tijdens de jaarlijkse conferentie van de Geological Society of America, die in november in Reno (VS) werd gehouden. De Elgin Marbles, die tentoongesteld zijn in een speciale hal van het British Museum in Londen, werden in 1806 uit Griekenland naar Londen overgebracht door Thomas Bruce, de zevende Hertog van Elgin. Daarmee werden deze beelden van een vrijwel zekere ondergang gered. Griekenland eist ze al lange tijd terug, maar Engeland wil aan die eis vooralsnog niet tegemoetkomen.

De Elgin Marbles zijn tussen 438 en 432 v.Chr. door Phidias, de beroemdste beeldhouwer uit het klassieke Griekenland, gemaakt uit een fraaie, witte marmersoort. Groeves waarin dergelijk marmer – een door verhoogde temperatuur en druk deels gerekristalliseerde kalksteen – wordt gevonden, komen op diverse plaatsen rondom het oostelijk deel van de Middellandse Zee voor, en de locatiebepaling van de groeves aan de hand van de lithologische eigenschappen van het gerekristalliseerde materiaal is moeilijk. Voor zowel het inzicht in de cultuurhistorische ontwikkeling als de reconstructie van vroegere politieke allianties en handelsroutes is het traceren van de herkomst van objecten echter van groot belang.

Pike heeft, in het kader van een uitgebreid onderzoek naar de herkomst van talrijke marmeren objecten, voortgebouwd op technieken die werden ontwikkeld door Norman Herz, mede-oprichter van de Association of Marble and Other Stones Used in Antiquity. Daartoe bepaalde hij onder meer de verhouding tussen de diverse stabiele koolstofisotopen en die tussen de diverse stabiele zuurstofisotopen in het marmer (dat uit calciumcarbonaat bestaat). Omdat de isotopenverhoudingen direct samenhangen met de specifieke geologische processen waaraan een gebied, ook op kleine schaal, onderworpen is geweest, zijn deze verhoudingen voor iedere marmergroeve verschillend.

Door veel recente en in de oudheid gebruikte groeves te bemonsteren en de isotopeninhoud van het marmer te analyseren, kon Scott van tal van objecten de herkomst van het marmer met een grote mate van zekerheid vaststellen. Zo bleek dat het marmer van de Elgin Marbles afkomstig moet zijn uit een groeve in de Pentelikon, een berg ten noorden van Athene.

Hij kon ook vaststellen dat de Elgin marbles van hetzelfde type marmer zijn als waarmee het `Oude' Parthenon was gebouwd, een bouwwerk dat op dezelfde plaats stond als het huidige Parthenon, maar dat in 480 v.Chr. door de Perzen werd verwoest nog voordat het voltooid was. Het marmer van het huidige Parthenon blijkt een andere isotopensamenstelling te hebben. Volgens Pike komt dat marmer niet uit de omgeving van de Pentelikon, en is het waarschijnlijk zelfs van betrekkelijk grote afstand aangevoerd.