Lonen in bouw stijgen meer dan gemiddeld

In de bouw zijn de contractlonen de afgelopen jaren sneller gestegen dan daarbuiten. Sinds 1981 zijn de CAO-lonen in de marktsector gemiddeld met 55 procent gestegen, in de bouw met 60 procent. Dat blijkt uit berekeningen van het Centraal Plan Bureau. De hoge lonen rechtvaardigen volgens de bouwwerkgevers geen looneis van 6 procent.

Ook het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) geeft voor de bouw een hogere dan gemiddelde stijging aan. De CAO-lonen stegen volgens het CBS sinds 1990 met 29,9 procent, in de bouwnijverheid met 34,8 procent, bijna 5 procent meer. Maar in dat cijfer zijn ook de loonontwikkelingen in een deel van de toeleveringsbedrijven verwerkt, evenals die bij projectontwikkelaars. En vooral in die laatste sector zijn de verdiensten de afgelopen jaren omhoog gesprongen.

De looneis van 6 procent van de vakbond FNV Bouw stuit niet alleen op grote weerstand bij de werkgevers. Ook de eigen overkoepelende FNV Vakcentrale vindt de eis onverstandig. Mocht het op een staking uitdraaien als gevolg van stagnerende onderhandelingen, dan zal de vakcentrale de aangesloten Bouwbond niet financieel bijspringen. De FNV als geheel heeft de looneis op 4 procent vastgesteld. De eis van 6 procent doemt ook regelmatig als schrikbeeld op bij de centrale gesprekken tussen werkgevers- en werknemersorganisaties over loonmatiging tegenover scholing, verlof en modernisering van de arbeidsvoorwaarden.

FNV Bouw zet kanttekeningen bij de vermeende loonvoorsprong voor de bouw. ,,Wat meet je precies. In sommige gevallen de CAO-lonen, in andere weer de werkelijk uitbetaalde uren'', aldus CAO-onderhandelaar D. van Haaster. Hij wijst erop dat sinds 1980 de bouw een loonstructuur heeft waarin de toeslagen in de contractlonen zijn verwerkt, waardoor die hoger uitkomen.