Janus Pronk

Maandag 27 november: alle lof voor minister Pronk als voorzitter van de klimaatconferentie. De top was mislukt, maar Pronk had zich uitstekend gekweten van een onmogelijke taak. Hij kan het dus best. Maar nu zijn we vijf dagen verder en de krant staat weer vol kritiek op de stijl waarin Pronk de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening voorbereidt. Hoe kan eenzelfde politicus roem oogsten op maandag en als total loss worden beschreven voor het eind van dezelfde week?

De twee gezichten van Jan Pronk hebben een simpele verklaring. Waarschuw Pronk dat hij niet voorbij kan aan economische logica en serieuze berekeningen en de man blijkt een begaafd politicus. Bij de klimaattop zorgde de Amerikaanse delegatie voor die discipline. Pronk wilde overeenstemming tussen Europa, Amerika, Canada en Australië en moest dus wel met respect ingaan op de Amerikaanse voorstellen. Maar op zijn eigen ministerie ontbreekt die discipline en laat Pronk zich meeslepen door intuïties en sentimenten van dertig jaar geleden.

Iedereen jaagt hij tegen zich in het harnas: geschoffeerde vertegenwoordigers van VNO-NCW, miskende deskundigen, wanhopige ambtenaren en verwarde journalisten weten niet meer wat ze aanmoeten met deze minister. Want zo slecht gaat het met de aanloop naar de Vijfde Nota over de Ruimte in Nederland, nu Pronk de ene dag positie kiest in de modder van de Hoekse Waard en als een Napoleon beslist wat daar wel en niet mag, even later verklaart dat zijn Nota alleen principes behandelt en geen concrete uitkomsten, dan weer zijn eerdere keuze voor lintbebouwing tussen de grote steden intrekt, zich vervolgens bekeert tot de Groene Grens van de extreme beweging Milieudefensie (`vijfenzeventig procent minder autogebruik is makkelijk haalbaar als we het echt willen'), en volgens de laatste berichten helemaal is bezweken voor de lobby van de vier grote steden. Als Pronk niet nog een paar keer van mening verandert, krijgen we straks dus nog meer straten met kleurige carports en tuinen zo groot als postzegels in veel te compacte wijken vlak bij de steden. Alsof dat de huizen zijn waar onze welvarende kinderen van dromen.

Terug aan zijn eigen schrijftafel probeert Pronk het nog steeds zonder afweging van kosten en baten, met de vermoeide intuïties van een man die niet wil toegeven dat in Holland de VVD allang de grootste partij is en dat de meeste kiezers de kleur groen liever zien bij hun eigen huis dan in de folders van Greenpeace.

Pronks antenne staat afgestemd op ouderwetse, ideologische zenders. Hij heeft in zijn werk op het ministerie precies dezelfde zakelijke discipline nodig die hem in het goede spoor hield bij de klimaattop. Daar kwamen de Amerikanen met praktische, onderbouwde voorstellen. Bomen houden van koolzuurgas, dus plant meer bomen en laat die een flink deel van de uitstoot van koolzuur absorberen. En is er in Amerika, Canada en Australië meer ruimte om bomen en planten hun natuurlijk werk te laten doen, profiteer daar dan van in plaats van zoals de Franse minister, te beweren dat Amerika een oneerlijk voordeel heeft. Het gaat uiteindelijk om het totale effect op de hele aarde.

Goede argumenten en Pronk had geen moeite om daarin mee te gaan, want de logica lag helder op tafel. Handel in emissierechten was het tweede Amerikaanse actiepunt, opnieuw direct overgenomen van de afspraken in Kyoto. Geef geld waar de effecten het grootst zijn en probeer het bedrijfsleven mee te krijgen door partijen te belonen die heel veel uitstoot van gassen vermijden. Op de klimaattop was voorzitter Pronk het daar ook mee eens en zette hij zijn niet geringe talenten als onderhandelaar in om de onmogelijke standpunten van de Duitse en Franse milieuministers in beweging te krijgen. Heel goed, en was hij maar zo consequent in zijn eigen binnenlands beleid.

Nederland mag geen slordige lappendeken worden van botsende bestemmingsplannen. Maar een minister kan dat niet voorkomen met een rood potlood; dan mist hij de lokale nuance en bovendien gaat deze minister dan toch weer grotestedenbeleid bedrijven met landkaarten. Pronk moet accepteren dat problemen in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam met scholen, criminaliteit en armoede vragen om geld en experimenten op het terein van – precies – scholen, misdaad en inkomens, maar weinig te maken hebben met aardrijkskunde of landjepik.

Pronk is nu toevallig minister van Ruimtelijke Ordening en dus moet hij nadenken over woningbouw, bedrijfsterreinen en natuurbehoud. Dat is makkelijker dan vroeger, toen fabrieken nog dicht bij de kolenmijn of de zeehaven een plaats moesten vinden. Service-bedrijven kunnen zich vestigen waar hun personeel graag wil wonen. Daarom zou Pronk discipline kunnen brengen door vier simpele regels.

Ten eerste: het rijk bepaalt de extra woningbouwopgave per provincie. Ten tweede: het rijk laat de precieze locatie van de huizen en de dichtheid van de bebouwing over aan de provincies, zolang ze de taakstelling maar invullen. Ten derde: er komt een slimmer grondbeleid zodat eigenaren van grond die opeens meer waard wordt door een ander bestemmingsplan flink meebetalen aan de gemeenschappelijke voorzieningen. Niet via onduidelijke onderhandelingen, maar op grond van een heldere wet op de grondheffing.

Ten slotte: de opbrengst van het nieuwe grondbeleid gaat voor een deel ook naar de overblijvende boeren die niet het geluk hebben dat hun grond plotseling meer waard is door een nieuw bestemmingsplan. Een grote pot met geld uit de grond moet boeren helpen om het hoofd boven water te houden en bij voorbeeld meer te doen als natuurbeheerder. Vier logische regels die discipline kunnen scheppen in een politiek proces dat dreigt te ontsporen. Geef Pronk die duidelijke marsorders. De man functioneert alleen onder druk van discipline.