Irak confronteert wereld met `feiten zoals ze zijn'

Irak heeft gisteren zijn olie-export stilgelegd omdat het een deel van de opbrengst ter vrije beschikking wil krijgen. Een nieuwe stap in een oorlog.

De Iraakse vice-premier Tareq Aziz antwoordde donderdag in Moskou onomwonden ,,nee'' op de vraag of Irak de wapeninspecteurs van de Verenigde Naties zal toelaten. Zijn botte reactie weerspiegelde het groeiend vertrouwen van Irak dat het zijn oorlog tegen het tien jaar oude handelsembargo van de VN winnend zal afsluiten.

Resolutie 1284 van de Veiligheidsraad van de VN van december 1999 bepaalt dat medewerking met de wapencommissie UNMOVIC wordt beloond met opschorting van het handelsembargo. Maar Bagdad gaat er nu zonder meer van uit dat het, inmiddels met een aanzienlijk deel van de wereldopinie achter zich, de wapeninspecteurs buiten kan houden en toch van het embargo afkomt.

Alle permanente leden van de Veiligheidsraad van de VN, ook Iraks vrienden Rusland en Frankrijk, houden nog vast aan terugkeer van de wapeninspecteurs die (toen onder de naam UNSCOM optredend) in december 1998 uit Irak vertrokken. Maar hoe lang bieden zij nog weerstand aan de combinatie van de door Irak handig gemanipuleerde publieke opinie, die het Iraakse volk ziet verkommeren, en het internationaal bedrijfsleven, dat dolgraag zaken wil doen met een in potentie superrijk olieland? Zelfs de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, de felste tegenstanders van de Iraakse president Saddam Hussein, blijken onmachtig een tegenbeleid te formuleren.

In afwachting van de formele val van het embargo spant Irak zich in de olie-export, die krachtens het olie-voor-voedselprogramma officieel geheel onder controle van de VN staat, weer aan zich te trekken en zo meer en meer oliedollars ter vrije beschikking te krijgen. Dat begon natuurlijk al jaren geleden met de oliesmokkel naar Turkije en Iran, en de door de VN gedoogde rechtstreekse export naar Jordanië. Maar, mogelijk aangemoedigd door de snelle ontmanteling van het vliegverbod op Bagdad en zonder meer profiterend van de internationale stemming, is de Iraakse regering nu ook op dit gebied hard in het offensief gegaan.

Vorige maand werd de sinds 1982 gesloten oliepijpleiding naar Syrië heropend, waarlangs nu buiten de VN om naar schatting 150.000 vaten per dag worden uitgevoerd. Gisteren maakte Bagdad bekend zijn hele olie-export stop te zetten om zo de VN en zijn eigen afnemers te dwingen in te stemmen met respectievelijk een lagere olieprijs en een toeslag van 50 dollarcent per vat, de laatste rechtstreeks over te maken naar een Iraakse bankrekening.

Zo'n systeem zou Saddam op jaarbasis ongeveer 400 miljoen dollar opleveren – op rekening van het humanitaire programma van het olie-voor-voedselprogramma. Die 400 miljoen zouden dan komen bij de de 2 miljard dollar die de smokkelhandel Irak nu naar schatting jaarlijks opbrengt volgens Amerikaanse bronnen en volgens vorige maand in de Financial Times geciteerde oliehandelaars in de Verenigde Arabische Emiraten. Daarbij moet nog worden opgeteld de opbrengst van de nieuwe handel met Syrië, die volgens ruwe schattingen een kleine miljard dollar per jaar oplevert. Alles samen is dat een bedrag waarmee Saddam gemakkelijk zijn vrienden tevreden kan houden en wat wapenprogramma's onderhouden.

De VN en de oliemaatschappijen zijn vooralsnog niet van plan aan het Iraakse dictaat toe te geven. Het Iraakse ministerie van Olie echter evenmin. Dat riep gisteren op tot een dialoog met de VN ,,om hen te doordringen van de feiten zoals ze zijn.'' En anders: ,,Laten de kwaden worden vervloekt. Hun boosaardige actie zal op hen terugslaan.''