Ingekrast christendom

Tijdens een zoektocht naar de vroege geschiedenis van Nijmegen is gebleken dat het christendom de stad al snel heeft bereikt. Op een bordscherf, een kruik en de hals van een glazen fles zijn de oudste bekende Chi-Rho-monogrammen ter wereld gevonden.

Het christendom heeft waarschijnlijk al in de tweede eeuw Nijmegen bereikt. Dit blijkt uit een recente vondst van scherven waarop het christelijke Chi-Rho-monogram was gekrast. Tot nu werd aangenomen dat pas de eerste christelijke Romeinse keizer Constantijn de Grote (280-337) het gebruik van dit symbool verbreidde.

Aan het symbool is een beroemd verhaal verbonden. Op een nacht in oktober 312 kreeg Constantijn een droom waarin de Griekse letters chi en rho (X en P) verschenen. Een stem raadde hem aan zijn leger onder deze tekens te laten opmarcheren tegen rivaal Maxentius: `In dit teken zult gij overwinnen.' Constantijn volgde het advies op, won en verleende de christenen het jaar daarop vrijheid van godsdienst (het Edict van Milaan).

Uit dit verhaal en via dateringen van gevonden chi-rho tekens (christogrammen) is de indruk ontstaan dat het pas in de vierde eeuw een van de symbolen voor het christendom werd. Twee vondsten van christogrammen in Nederland sloten daarbij aan. In de jaren vijftig vond de archeoloog Brunsting in de Nijmeegse binnenstad een haarnaald die met dit teken was versierd. Dat gebeurde bij opgravingen van een grafveld uit de laat-Romeinse tijd. En in Limburg werd een paar jaar geleden een helmkam met christogram ontdekt; de helm moet tussen 350 en 400 na Christus zijn gemaakt.

Ontdekkingen van christogrammen bij de recente opgravingen in het centrum van Nijmegen wijzen nu naar een veel eerder gebruik. H. van Enckevort van het Bureau Archeologie van de gemeente Nijmegen: ``De oudste die wij gevonden hebben stammen uit het einde van de tweede eeuw. Het gaat om een scherf van een bord waarop er drie zijn ingekrast, mogelijk stond er nog een vierde op. Verder hebben we er een op een kruik uit de derde eeuw aangetroffen. Voorzover bekend zijn het de oudste chi-rho tekens ter wereld.''

Topstuk in de serie Nijmeegse christogram-vondsten is de hals van een glazen fles. Daarop zijn er vijftien gegraveerd, plús kruizen en het bekende gestileerde visje. Het stuk werd in een grafkuil uit de vierde eeuw teruggevonden, maar behoorde niet tot de grafinventaris en was toen ongetwijfeld al oud. Van Enckevorts baas J. Thijssen vult aan: ``Recentelijk is er dan ook nog een in Wijchen ontdekt. En zo'n opmerkelijke groep vondsten, die zet je toch aan het denken.''

De vraag is waar die vroege Nijmeegse christenen vandaan kwamen. Thijssen: ``Ik ben in de literatuur gedoken en heb gevonden dat eind tweede eeuw in Lyon christenvervolgingen werden gehouden. Ik kan me voorstellen dat er toen christenen naar het grensgebied zijn uitgeweken, naar Nijmegen dus. Daar hadden ze meer kans om te overleven dan in een goed gestructureerde, stedelijke omgeving.'' Van Enckevort: ``Bovendien was het hier destijds een smeltkroes van culturen. Naast de Romeinse cultuur, bleef de inheemse lang gehandhaafd. En in de derde eeuw begonnen er met de komst van troepen uit oostelijke regio's allerlei oosterse invloeden door te dringen, zoals die van cultusgemeenschappen rond Mithras en Sol Elagabalus. Men zal in zo'n smeltkroes waarschijnlijk heel wat verdraagzamer tegen de christenen hebben aangekeken dan men dat meer in het centrum van het rijk deed.''

Blijkens de datering van christogrammen in de tweede, derde en vierde eeuw gaat het niet alleen om vroege christenen, maar ook om een bestendige gemeenschap. En een met invloed. Thijssen: ``Het grafveld uit de binnenstad dat van de vierde tot de zevende eeuw in gebruik is geweest, wijkt sterk af van grafvelden elders uit die tijd. Een grafveld van Lent uit de vijfde eeuw bijvoorbeeld zat helemaal vol met bijgiften. In dit Nijmeegse grafveld echter nemen de grafgiften na 300 af. Met uitzondering van een paar latere, Frankische graven is er na 350 nauwelijks sprake meer van, terwijl dan ook de graforiëntatie is veranderd. Men legde de doden niet meer met het hoofd naar het oosten maar naar het westen. Begraven met bijgiften is een niet-christelijk gebruik. Het probleem is echter dat je de redenering niet kunt omdraaien, zo van `er zit niets in, dus zijn het christenen'. Maar het ontbreken van grafgiften, daar moet een reden voor zijn. En een van die redenen is: hier zat een grote groep mensen met een andere instelling.''

gat van nijmegen

De nieuwe vondsten maken deel uit van een grootschalig project om de vroege geschiedenis van Nijmegen op te helderen. De meeste inspanning gaat overigens naar een iets latere periode dan die van het vroege christendom: het zogenoemde `gat van Nijmegen'. Zo wordt de onbegrepen periode genoemd tussen de vierde en de zevende eeuw. Uit die tijd zijn slechts zeer weinig geschreven bronnen over en archeologisch werd tot nu toe in Nijmegen ook niet veel gevonden. Bestond Nijmegen eigenlijk wel in die periode? Drs. J. Thijssen en drs. H. van Enckevort van het gemeentelijke Bureau Archeologie werken samen met prof.dr. J.K. Haalebos van de Katholieke Universiteit. In hun nieuwe schets van de periode is van een onderbreking in de stedelijke ontwikkeling geen sprake meer. En die bestendige, vroege gemeenschap van christenen speelde wellicht een belangrijke rol in de continuïteit.

De uitgestrektheid van bodemarchieven als het Nijmeegse (vijf- tot zeshonderd hectare: van de hoge stuwwal in het oosten via het stadscentrum tot in het laaggelegen Waterkwartier) is een groot nadeel. De verspreide kijkgaten, toevallig ontstaan door het bombardement in 1944 en door nieuwbouw, zijn slechts moeizaam met elkaar in relatie te brengen. Wat het hiaat betreft heeft het Bureau Archeologie de draad opgepakt in de late derde eeuw na Chr. De Romeinse stad Ulpia Noviomagus Batavorum (in de bodem van het Nijmeegse Waterkwartier) was aan het wegkwijnen onder aanhoudende invallen van Germanen; of Franken zoals ze tegen die tijd genoemd gaan worden. Door interne strubbelingen waren de Romeinen niet goed in staat de Frankische invallen het hoofd te bieden. Archeologen meenden dat men Ulpia uiteindelijk zou hebben opgegeven en dat de bevolking moest zijn weggetrokken. De eerste aanwijzing dat de stedelijke ontwikkeling wel degelijk was doorgegaan, dateert al uit 1969. Bij het Valkhof, in het gebied van het oude Oppidum Batavorum dat in de eerste eeuw bij de Batavenopstand van Julius Civilus was verwoest, werd een laat-Romeinse gracht ontdekt. De gracht dateerde uit het begin van de vierde eeuw. Onderzoek in de decennia na 1970, en voorlopig afgesloten bij de herinrichting van het oostelijke centrumkwartier, stelt Thijssen en Van Enckevort nu in staat het ontbrekende hoofdstuk in te vullen.

franken

Hun reconstructie luidt als volgt. Onder keizer Constantijn de Grote (306-337) werd de orde hersteld. Rond 320 hadden de Romeinen het tot dan verlaten terrein van Oppidum Batavorum helemaal opnieuw ingericht en op het Valkhof een castellum gebouwd. Hiervoor werd materiaal gebruikt dat ze uit de ruïnes van Ulpia haalden. De kern van de bewoning lag vanaf die tijd niet meer in het Waterkwartier, maar weer op de oude plaats: in het centrum van het huidige Nijmegen. In die tijd woonden er ook al Franken in de onmiddellijke nabijheid van het castellum. Niet ver ten oosten van de omgrachting zijn namelijk sporen van een Frankische nederzetting ontdekt; munten wijzen uit dat die dateert uit 325-375.

Het grafveld van deze gemeenschap is eveneens teruggevonden. Mogelijk was dit een van de groepen die in ruil voor toelating tot het Romeinse rijk een deel van de grensverdediging op zich moesten nemen. Deze foederati hadden daarmee feitelijk al een flink deel van de macht in onze streken in handen. De Romeinse macht, aan de andere kant, werd alleen maar zwakker. In 406 raakte Mainz stevig in Frankische handen, in 459 Keulen en daarmee was de machtsomwenteling in Noordwest-Europa compleet. Het castellum op het Valkhof was echter al die tijd in functie gebleven en wegens de Frankische aanwezigheid zal de `overdracht' wellicht eerder geruisloos dan met geweld hebben plaatsgevonden.

Teruggevonden is ook het bij de nieuwe stedelijke kern behorende grafveld, iets westelijk van het laat-Romeinse castellum en op en rond het Mariënburg in het centrum van Nijmegen. Het was in gebruik van de vierde tot de zevende eeuw en bevatte mogelijk tienduizend begravingen. Veertienhonderd graven konden hier worden onderzocht. Het algemene beeld daaruit is dat grafgiften na 350 zeldzaam zijn, maar in een apart groepje Frankische graven (uit 450-500) trof men bijzondere zaken aan: ijzeren bijlen en lanspunten, goudbrokaat en barnsteen (op de ogen van een overledene gelegd). Deze bijgiften duiden op de binnenkomst van een Frankische elite van elders. De bekende Frankische koning Clovis (481-511) wist de nu ontstane vorstendommetjes te verenigen; hij liet zich in 496 ook tot christen dopen. Het westelijke deel van het castellum op het Valkhof kwam toen in handen van een Frankische hoofdman, het oostelijk deel in die van de bisschop van Keulen. Tussen de eerste en de tweede gracht om het castellum werd in het begin van de zevende eeuw een parochiekerkje gebouwd, gewijd aan St. Stephanus. Hierna ging Nijmegen via Karel de Grote, Frederik Barbarossa, de graven van Gelre en Otto II de latere Middeleeuwen in.

terugval

Thijssen: ``Een tijdje geleden heb ik eens een lezing gehouden over continuïteit. Ik stelde daarin dat er steeds intermediaire groepen geweest moeten zijn die de Romeinse cultuur in perioden van terugval konden handhaven. Dat geldt bijvoorbeeld voor de bouw van Ulpia. In het verleden werd daarover gezegd dat men bouwvakkers uit Keulen moest hebben aangetrokken. Maar zo werkte dat niet. Of neem de vroege Frankische invasies van de vierde eeuw. Die mensen zijn een deel van de Romeinse erfenis gaan gebruiken. Zonder een intermediaire groep zou dat niet hebben gekund. Er zijn mensen uitgeschakeld in die periode, maar het verhaal gaat door. Dus moeten er genoeg zijn overgebleven om de knowhow uit de complexe Romeinse maatschappij mee te nemen en voort te laten leven. In welke gemeenschappen moet je die mensen dan zoeken? Wat Nijmegen betreft zou dat vanaf eind tweede eeuw best eens die kennelijk bestendige gemeenschap met christelijke inslag kunnen zijn geweest.''

Van Enckevort: ``Het is een hachelijk verhaal, dat weten wij ook wel. Maar wij hebben een andere instelling dan archeologen vroeger. Die schreven alleen dingen op waar ze zeker van waren. Op die manier blijft er echter een hoop in de la liggen waar niemand ooit een oordeel over kan geven. Dat schiet niet op. In ons verhaal over Ulpia, over de voortzetting van de stedelijke ontwikkeling in het terrein van het oude Oppidum Batavorum, over de vroege christenen, daar zullen best missers zitten. Dat wij er nu mee naar buiten komen, geeft anderen de kans ons te vertellen waar we fout zitten. Alleen op die manier kom je vooruit.''