In Peking zijn Oeigoeren toeristenvoer

Wie wil weten wat de Chinese regering precies voor heeft met haar Oeigoerse landgenoten, hoeft de lange reis van bijna zevenduizend kilometer naar de verste uithoek van het imperium niet te ondernemen. Spreek met de Oeigoeren uit de provincie Xinjiang die van Peking hun thuis proberen te maken en er bestaat weinig reden voor opgetogenheid. Deze mensen hebben tien jaar geleden het modern socialistische dictum om `samen rijk' te worden, letterlijk genomen en zich tussen hun Han-Chinese broeders in het politieke centrum van het land gevestigd. Ze hebben er restaurants geopend, avond na avond lange slierten pasta geslagen en vele Chinese magen gevuld. Om na jaren van noeste arbeid vast te stellen dat het allemaal voor niets is geweest.

De wijk Ganjiekou [Kan-dje-koo], ooit het kloppend hart van de Oeigoerse gemeenschap in Peking is van de kaart geveegd en Weigongcun [wee-koeng-tsoen], de laatste Xinjiangnese buitenpost die de hoofdstad nog telt, is op een paar huizen na tegen de vlakte gegooid. Om ruimte te maken voor een bredere weg, een nieuw warenhuis en stadsgroen, maar geen Oeigoer die dat gelooft. ,,Oeigoeren zijn niet langer welkom in Peking'', zegt een bakker uit Xinjiang.

,,Ze hebben het aan zichzelf te danken'', zegt Temur, de man die medeverantwoordelijk is voor China's politieke beleid in Xinjiang. Temur, een Mongool (Mongolen hebben slechts één naam) en hoofd van de afdeling voor recht en politiek van de Staatscommissie voor Etnische Zaken, is dol op het Oeigoers eten, zegt hij. Maar hij verafschuwt het gebrek aan hygiëne in hun restaurants. Belangrijker: ,,Die wijken trekken criminelen aan.'' Volgens Temur handelen veel Oeigoeren in verdovende middelen. ,,Peking wil de Olympische Spelen in 2008 binnenhalen. Dan kunnen we hun vieze keukens en drugs niet gebruiken.''

De laatste restauranthouders van de wijk Weigongcun verschuilen zich in hun kragen. Buitenlandse voorbijgangers wordt van alle kanten `hasjiesj' toegesist, wie niet reageert wordt fuck you achterna geschreeuwd. Praten wil bijna niemand, bang voor de stillen die rondwaren in de modderige straten. Toch neemt een besnorde vrouw het in een bijterig Chinees voor haar mede-Oeigoeren op: ,,In de ogen van de Chinezen zijn we helemaal geen Chinezen. We worden behandeld als buitenlanders van het laagste allooi. Vraagt een taxichauffeur me wat Xinjiang eigenlijk produceert. `Drugs?' zegt 'ie. ,,Nee, olie'', antwoord ik dan. Ik word er pisnijdig van.'' Maar ook zij zoekt een deel van de schuld bij haar eigen mensen. ,,Er zijn lui die drugs verkopen, ja. Zij hebben het voor ons verpest, want de meerderheid is goed.''

Een Oeigoerse jongen die studeert aan de Nationaliteiten Universiteit in Peking, een opleiding die eenheid en Han-loyaliteit onder de minderheden beoogt, voelt zich niet welkom in de hoofdstad. ,,Als ik in een volle bus stap dan gaan alle mensen aan de kant of ze stappen uit'', zegt hij. ,,Chinezen denken dat we allemaal bommenleggers of heroïne-smokkelaars zijn. `Wees redelijk', zeggen ze als er een conflict is. Ze zijn bang dat we meteen op de vuist gaan. Ze vinden dat we opvliegerig zijn. Maar als ik achter mijn rug word uitgescholden, dan wil ik niets liever dan slaan.''

Illusie van eenheid

Van de Oeigoeren wordt verwacht dat zij zich, net als de rest van de acht procent in China die niet Han-Chinees is, als één man achter de communistische partij scharen. China koestert de illusie van nationale eenheid. Alle etnische volken in het land zouden hun ambities voor zelfstandigheid met de oprichting van de Volksrepubliek in 1949 vrijwillig hebben opgegeven en het leiderschap met graagte hebben overgedragen aan de Communistische Partij. De Grondwet zoals de communisten die in 1931 opstelden, gaf alle minderheden zelfs het recht op zelfbeschikking. Maar toen de communisten eenmaal aan de macht waren bleek de noodzaak om die garantie na te komen als sneeuw voor de zon verdwenen.

In het Chinese Park voor Etnische Culturen valt in miniatuur te bezichtigen wat er van die nationale eenheid terecht is gekomen. Het park in Peking is een verzameling van `authentieke gebouwen' waarin veertig van China's 56 officeel erkende minderheden dansend en zingend bekeken kunnen worden. `To help the world understand China. To help us know ourselves', staat er in de brochure. ,,Door middel van het park tonen we de eenheid die onder China's minderheden bestaat'', zegt directrice Xie Lihong. In het Oiegoerse paviljoen, dat pas in maart geopend wordt, kan de bezoeker 'echte Oeigoeren' bezichtigen die op kosten van het park uit Xinjiang zijn overgevlogen. Het religieuze aspect van hun cultuur krijgt de bezoeker niet te zien, want ,,religies zijn te ingewikkeld en ongeschikt voor de toeristenindustrie'', zegt de directrice.

Het is onjuist om aan te nemen dat de Chinese regering de Oeigoerse gemeenschap een Chinees model probeert op te dringen, vindt Temur van de Staatscommissie voor Etnische Zaken. ,,China respecteert hun eigenheden.'' Xinjiang is een autonome regio, althans op papier, en de wet garandeert China's `nationale volken' het behoud van hun eigen taal, gebruiken en religie. China's etnische minderheden zijn vrijgesteld van de één-kind politiek, betalen minder belasting dan hun Han-Chinese landgenoten en genieten tal van economische voordelen. Dat Xinjiang desondanks behoort tot een van de armste provincies in de Volksrepubliek heeft volgens Temur te maken met de geografisch ongunstige ligging van het gebied.

Chinese intellectuelen hebben gewaarschuwd dat de economische achterstand in Xinjiang de stabiliteit in de regio in gevaar brengt. Zij geloven dat wanneer er niet snel wat aan die ongelijkheid gebeurt, de natie in haar verste uithoeken in verval dreigt te raken. Temur weet ervan. ,,We erkennen de achterstand in het gebied'', zegt hij droog. De begin dit jaar gelanceerde landelijke campagne `Ontwikkel het Westen' moet het antwoord zijn op die dreiging. De centrale regering wil de komende vijf jaar twaalf miljard dollar steken in infrastructurele projecten in de provincie.

Frictie

Over het bestaan van etnische spanningen in Xinjiang is Temur kort van stof. China geeft er amper aanleiding toe. ,,Het centrale beleid is goed. Misschien misbruiken de lokale overheden soms hun macht, maar dat betreft een minderheid.'' Temur gelooft dat als er al sprake is van frictie, het een overblijsel is van het verleden. ,,In de jaren zestig [tijdens de Culturele Revolutie] zijn veel fouten gemaakt. De hard bevochten eenheid werd toen tenietgedaan. Dat is hier en daar nog steeds een bron van onvrede.''

Incidentele ongeregeldheden worden veroorzaakt door ,,buitenlandse krachten''. Maar sinds enkele jaren heeft China ook grip gekregen op dat probleem, verzekert Temur: Peking heeft een verdrag gesloten met de aangrenzende voormalige Russische republieken, dat uitlevering van bannelingen garandeert die als `splijtist' te boek staan. ,,Oeigoeren zijn net als alle Chinezen: eenvoudige zielen'', zegt Temur ter geruststelling. ,,De meeste van hen hebben geen contacten buiten hun eigen dorp. Ze houden zich niet bezig met de politiek. Ze hebben geen enkel democratisch besef, laat staan de behoefte aan politieke zelfstandigheid.''